Schrijfdoedel #3
- login of registreer om te reageren
10 mei 2012 - 7:16
Schrijfdoedel #3
Ben je even aan iets anders toe? Schrijf dan een scène of verhaal op de doedel om je creativiteit weer op gang te krijgen. De schrijfdoedel van deze week is:
Je verlaat een club waar je tot laat in de nacht hebt gezeten. Onderweg naar huis vind je duizend euro in briefjes van honderd en een gesloten enveloppe in je jaszak. Je kan je niet herinneren hoe je eraan komt.
We kijken uit naar jullie verhalen!


Reacties
'Verhip!?!' dacht ik 'Heb ik toch wel de verkeerde jas opgepakt!'
en ik verhipte.
schrijven, een uit de hand lopende onderneming
Terwijl ik naar mijn mobiel taste gleden mijn vingers om iets anders heen. Iets van papier, iets klein en vierkant, een enveloppe. Fronsend haalde ik het uit mijn zak. Ik kon me niet herinneren dat ik van iemand een enveloppe had gekregen, en niet dat die er in zat toen ik van huis weg liep.
Het is een vrij dikke enveloppe, snel maakte ik het ding open. Even voelde het alsof alle adem uit mijn longen was geslagen. O god, hoe kwam ik daar aan. Mijn vingers haalde een van de honderden bankbiljetten eruit. Het was er echt een constateerde ik toen ik het papiertje voor mijn neus hield. Even schootten me alle een heleboel vreemde gedachten bij me binnen, aangeven, politie. Maar nee, dat zou ik niet doen. Ik wou ook wel eens op vakantie.
Ik deed de enveloppe in mijn zak en liep weer verder.
Life isn't waiting fort he storm to pass.
It's learning how to dance in the rain.
Vierhonderd, vijfvijfhonderd, zeshond... Godsamme, en ik maar denken dat ik naar huis moet voordat al mijn geld op is. Als ik nog dieper mijn zakken doorzoek vind ik ook nog een dikke envelop. Ik trek hem open. Sjezus, in een wikkel zit een flink pak vettig wit poeder. Coke, ik weet het bijna zeker. Ik haal mijn mes te voorschijn, snij het plastic door, leg de zooi op mijn dashbord en zet een muziekje op om wat sfeer te creeren. Dan rol ik zo'n briefje van honderd tot een buisje en trakteer mijn neus. Met grammen tegelijk ram ik de coke mijn lijf in.
Ik bedenk me dat het onzin is nu naar huis te gaan. Ik kan het me veroorloven, ben geil als een raket en om vanavond alleen naar huis te gaan lijkt me nu niet meer nodig. Snel vouw ik de wikkel dicht voorzover als het nog gaat, stop hem terug in de envelop en daarna in mijn jaszak. Ik start de auto en in zijn achteruit rij ik club Alouette binnen.
O
Het was mijn gewoonte om te tasten naar mijn huissleutels, sinds ik een keer buiten stond zonder sleutels. Dit deed ik achteloos. Ik voelde met mijn vingers of ik de ijzeren ring voelde. Ik voelde achteloos en het drong pas laat tot mij door dat er iets niet klopte. De sleutels waren er wel, maar er zat iets vreemds in mijn jas. Ik keek om mij heen waar ik rustig kon staan zonder mensen om mij heen. Ik voelde dat ik rilde. Ik pakte de briefjes uit mijn jas en keek om mij heen of er iemand was. De straat was kil en donker. Er reed af en toe een auto voorbij. Er liepen nog wat verdwaalde mensen in de verte, luid pratend met elkaar. Het was geld. Niet zomaar geld maar briefjes van honderd, wel tien stuks. Ik heb net mijn laatste geld uitgegeven, en het was een briefje van twintig, dacht ik. Ik wilde de briefjes terugsteken om er thuis over na te denken, toen mijn middelvinger een enveloppe aanraakte. Toen kon ik mijn nieuwsgierigheid niet in toom houden. Ik pakte de brief en besloot hem onderweg tijdens het lopen te lezen. De enveloppe was dicht. Er stond mijn naam op. Wie heeft dit in mijn jas gedaan? Ik zie mijn oude schoolvriendin er niet voor aan. Met haar heb ik de avond doorgebracht. Ik vond haar terug op facebook en heb met haar in de nachtclub afgesproken. Ze moest eerder weg en ik ben blijven hangen omdat ik een paar journalisten ontmoet heb die vertelden over hun werk in Afghanistan.
Het was nogal donker en de brief was in een klein handschrift geschreven, haast niet leesbaar. Ik moest wachten tot ik thuis was. Plotseling volgt een auto mij stapvoets. Het raam wordt naar beneden gedraaid. Er wordt iets geroepen in een vreemde taal.
Ik kijk om mij heen. Waar zijn de andere mensen gebleven. Het is nu erg verlaten en ik moet straks over de brug om naar huis te gaan. Ik kijk achter mij. Daar staan twee vrouwen met een fiets. Ik besluit om te keren en naar de vrouwen toe te lopen. De auto blijft even staan, en rijdt dan verder.
De hemel is blauw zoals een sinaasappel.
(Paul Eluard)
‘Wil je echt weten wat ik ermee gedaan heb? Ik durf het bijna niet te zeggen, ik schaam me er voor. Beloof dat je het niet doorvertelt. Zweer het!’
‘Ik zeg niks. Nou, biecht op! Wat heb je met dat geld gedaan?’
‘Eerst moet je weten hoe ik er aan kwam. Het was diep in de nacht toen ik wegging uit de Tarantella.’
‘Idioot! Ben je in de Tarantella geweest? Bij die geschifte New Age club?’
‘Ja, nou, dat was de eerste maar ook de laatste keer. Ik durf me d’r nooit meer te vertonen.’
‘Wat gebeurde er dan, en hoe kwam je aan dat geld?’
‘Ik had een hoop gedronken. Wijn, en flink geblowd, de hele avond door. Komt zo’n weirdo op me afgezweefd en hangt een onsamenhangend verhaal op over aliens. Ze was een spraakwaterval met van die ogen, enorme pupillen, en echt, ze zweefde zowat over de vloer. Ik had ‘m helemaal om door al die drank en die wiet, ik kon amper staan en hing duizelig tegen de bar. Ze kraamde allerlei onzin uit maar ze zag er leuk uit en was best aardig, dus ik bleef luisteren zonder te snappen waar ze het in godsnaam over had.’
‘En toen gaf ze je die duizend euro?’
‘Nee, ze stelde me voor aan een vriend van haar. Kleine Grijze noemde ze hem. Het was een raar, oud mannetje, misvormd en met een of andere oogafwijking. Hele gekke ogen had-ie. Maar ik was zo stoned en dronken dat ik het misschien verkeerd zag. Ik liet alles maar over me heen komen en lachte omdat ik het zo’n grappig ventje vond. En hij giechelde aan een stuk door, we hadden enorme lol.’
‘En gaf die jou het geld? Kom op, vertel nou.’
‘Tja, dat weet ik dus niet… Ik kan me niets herinneren. Ik mis een heel stuk; het volgende dat ik besefte was dat ik buiten op straat stond. Onderweg naar huis voelde ik naar mijn sleutels en vond dus al die briefjes van honderd. En een envelop.’
‘Wow. En toen!?’
‘Ik ging op de stoeprand zitten om het geld te tellen. In die envelop zat een busticket voor een reis naar Wonderland. En een briefje aan mij, met mijn naam er op. Dat ik was uitgenodigd door een vriend.’
‘En… ben je daar geweest?’
‘Nee… het vroor en ik was weer wat nuchterder geworden. Ik kwam bij en dacht dat het allemaal een zieke grap was van die mafketels daar. Dat geld is natuurlijk namaak, dacht ik, een reclamestunt van een louche bedrijf om je ergens op te abonneren. Ik was weer helemaal helder, snap je. En verstandig. Ik verscheurde alles tot snippers en propte het door een straatputje bij de stoeprand. Toen ging ik opgelucht naar huis en heb twee dagen geslapen.
Op de derde dag las ik in de krant dat ze bij het gemeentelijk rioleringsbedrijf geldsnippers hadden gevonden bij die put. Van echte briefjes van honderd. Ze zijn nog verder aan het zoeken.’
http://hetleveniseenfeest.blogspot.com/
Ooit moest het gebeuren. Ik heb altijd geweten dat het een kwestie van tijd was vooraleer het geluk mij op een onbewaakt moment zou verrassen. Ik stond met het bundeltje bankbiljetten in mijn ene hand en de enveloppe in mijn andere. Geen idee of een milde schenker dit in mijn zak heeft laten glijden of dat dit een spijtige vergissing was van de vorige eigenaar. Het kon me niet schelen, vanaf nu was ik de rechtmatige bezitter. Mijn hoofd zinderde als ik bedacht wat ik allemaal zou kunnen doen met dit onverwachte geschenk. Ik keek nog even naar mijn linkerhand en gooide toen de inhoud achteloos in een plas water. Waardeloos… in de tijd van mijn bedovergrootvader was dit nog de moeite om te bewaren, maar wie had hier tegenwoordig nog wat aan? Ik concentreerde me terug op de pakketje dat ik nog vast had en moffelde het vervolgens zonder dat iemand het zag in mijn binnenzak. Ik ritste mijn jas dicht tot aan mijn hals en zette mijn kraag recht. Niemand hoefde te weten dat ik vanaf nu in het bezit was van het meest zeldzame en zonder twijfel gevaarlijkste materiaal dat in deze tijden nog te verkrijgen was… onbeschreven, onbedrukt papier.
Leuk idee, Marjan. Doet me wat denken aan die film 'Waterworld', waar iets banaals als potgrond plots enorm waardevol is.
Lijkt me echter moeilijk vol te houden in een uitgewerkt verhaal - je kan toch altijd papier recycleren, dus waarom gooit ze die bankbiljetten dan weg?
Het was 3 uur in de ochtend toen Lien de donkere rokerige bar verliet.
Zij en haar collega's hadden alvast haar verjaardag gevierd. De anderen bleven nog maar Lien had haar moeder beloofd het niet te laat te maken, nu ja het was vroeg geworden grinnikte ze. Geld voor de taxi had zij niet meer dus ging zij lopen.
Brr. wat was het koud.
Zij zette haar kraag op en stak haar handen in de diepe zakken van haar rode mantel. Lien die nooit iets in haar jaszakken stopte, voelde dat er iets inzat. Verbaasd haalde zij briefjes van honderd euro en een witte envelope uit haar linker jaszak. Ze bekeek de envelope en het geld.
Allemachtig, duizend euro!
Hoe kwamen die in haar jaszak?
Ze keek rond, de straat lag er verlaten bij.
Lien die nochtans niet bangelijk aangelegd was voelde zich niet op haar gemak. De vondst van het geld en de enveloppe had haar van haar stuk gebracht.
Wat moest ze met het geld en die envelope? Het had toch niets met drugs te maken? Besluiteloos bleef ze staan.
Zij zag twee mannen snel de hoek omkomen die recht op haar afliepen.
Lien stak domweg de straat over, de twee mannen deden hetzelfde.
Zij begon vlugger te stappen, de mannen volgden haar, haalden haar in en hielden haar tegen.
'Identiteitskaart juffrouw!'
Het bleken agenten in burger te zijn. Zenuwachtig haalde ze haar id uit haar handtas en overhandigde die aan de agenten.
'Wat doe jij hier zo laat in deze buurt?'
Lien legde uit dat ze met haar collega's haar verjaardag had gevierd.
De agent bekeek haar id las haar geboortedatum hardop en bromde 'gefeliciteerd en ga maar vlug naar huis het is hier geen buurt om in je eentje rond te lopen'.
Lien liet het zich geen twee keer zeggen en liep door, het leek of er overal schaduwen dwaalden.
Een auto kwam aangereden, vertraagde, knipperde even met zijn lichten, en reed verder.
Overstuur kwam Lien thuis. Toen ze de voordeur opende schrok ze toen ze zag dat alle lichten branden. Jassen en handtassen lagen over stoelen verspreid en tot haar ontzetting lag haar moeder in een zetel te slapen.
Zachtjes schudde Lien haar moeder.
'Mam, wat is er gebeurd?'
Kreunend werd haar moeder wakker en begon zachtjes te huilen.
'Lientje ik had 1000 euro van de bank gehaald om een voorschot te betalen voor een auto, jouw verjaardagscadeau, en het is verdwenen' jammerde ze.
Lien die onmiddellijk begreep hoe de situatie in elkaar zat plofte opgelucht in de zetel en kreeg de slappe lach. Ze haalde het geld uit haar jaszak:
'Mam wat doet die 1000 euro in mijn jas?'
'O, ik weet het weer, toen ik het geld in mijn andere tas wou stoppen kwam jij naar beneden, ik wou niet dat je het geld zag en verborg het in een jaszak. Daarna hebben wij samen gegeten en ik ben het vergeten.'
'En die enveloppe?'
Jouw verjaardagskaart Lientje.
Haha... Je hebt volledig gelijk Arthur_D. Ik denk dat ik het een beetje te vlug heb geschreven en niet door dacht.
Onder een lantaarnpaal maak je de envelop open. Het is een brief van Maarten. Wie in godsnaam is Maarten? Die blonde kerel die steeds naar je zat te loeren? Je leest de brief. Dit bedrag is een voorschot. Je kan het tienvoudige verdienen. Als iets te mooi lijkt om waar te zijn, dan is dat ook zo. Je overweegt naar het politiebureau te gaan en de duizend euro daar achter te laten. Je doet het niet. Je stopt de brief in je andere jaszak. Je stapt op je fiets en neemt een omweg naar huis, je bent opeens bang dat iemand je volgt. Thuis stop je het geld in de kluis. Je doet alle deuren op slot en gaat naar bed.
Als je wakker wordt is alles normaal. Je ontbijt met een homp brood en een bakkie. Als je je jas aan wil trekken, merk je dat hij weg is. Er hangt een vreemde jas aan je kapstok. In de zak voel je een brief. Shit. Het was geen droom. Opeens herinner je je iets. Een vreemd gesprek. Koerier. Iemand in een cel. Vier. Het was cel vier. Je moet naar de politie, je moet aangifte doen. Je doet niets. Je fietst naar je werk. Die brief was niet voor jou bedoeld. Als je langs je favoriete boetiek komt, koop je een nieuwe jas. Na je werk pak je de vreemde jas in een vuilniszak. Je brengt hem naar de kringloopwinkel.
Drie weken later, als je een ketting wil pakken uit de kluis, zie je de briefjes van honderd. Je hebt geen idee hoe die daar komen. Je voelt je rijk. Je hebt zin om het geld uit te geven. Je belt je beste vriendin en vraagt haar wat zij zou doen als ze duizend euro had gewonnen in de loterij. Jullie hebben veel lol met verzinnen van dwaze dingen – Je besluit nooit meer te drinken.
Als Josefina Magdalene midden in de nacht de club verlaat, is het steenkoud. Ze doet haar handen in haar jaszakken en voelt in beide iets zitten. Ze heeft nooit iets in haar zakken. Een of andere gast is kennelijk grappig geweest. Uit haar linkerzak haalt ze een stapel papiertjes. Onder een lantaarnpaal ziet ze dat het briefjes van honderd zijn. Onzin, denkt ze. Nepgeld. Ze frommelt de biljetten in elkaar en gooit met een welgemikte worp de prop in een prullenbak een eindje verderop. De dikke envelop zal ze thuis wel bekijken. Vlakbij haar huis klinkt er een enorme knal. Er zat een bom in de envelop.
Waar je ook bent, 'Ik zal je vinden'.
Al strompelend waande ik me in het donker een weg naar wat hopelijk mijn huis zou zijn. De weg, die was ik al 10 minuten geleden kwijt geraakt, maar toch waren mijn voeten er van overtuigd dat ik rechtdoor moest lopen. strompelen. hinken. kruipen. Nee, het was beter om even te gaan zitten, wist ik zelfs in de staat waarin ik verkeerde. Het was nog een hele opgave om me via de lantaarnpaal naar beneden te laten glijden en zo op de grond terecht te komen. Terwijl ik tegen de lantaarnpaal aanleunde en probeerde de kwellende hoofdpijn te verdrijven naar een hoekje in mijn hoofd voelde ik iets. Ik was op iets gaan zitten, besefte ik me, en het voelde niet prettig aan. Het was een sleutel, maar waar kwam die vandaan? Na 5 minuten had ik door dat het uit mijn jaszak kwam, omdat het mijn huissleutel was en er blijkbaar een gat in mijn jaszak zat, want ik kon er zo twee vingers doorheen steken. Ik graaide in mijn jaszak en voelde plotseling iets wat daar volgens mij niet eerder had gezeten. Een envelop. Het duurde even voordat ik de envelop open had gemaakt, want dit was lastig met een slok te veel op. Ik had de moeite niet genomen om de envelop voorzichtig open te maken. Maar ik had hem open. De inhoud hield ik enkele seconden in het licht van de lantaarnpaal, maar die seconden waren voor mij genoeg om te weten wat dit betekende. Ik was rijk! Die briefjes, dat waren briefjes van honderd! En wel heel veel! Ik wankelde overeind en sloeg een vrolijke kreet. Iedereen mocht het weten, ik was rijk! Iedereen in de buurt kreeg het ook te weten want ik schreeuwde het uit. ‘Ik ben rijk!’ ‘Ik ben rijk!’ ‘Ik heb genoeg geld!’ riep ik en ik wankelde door de straten in een poging een triomfdansje te maken. Het duurde niet lang of er kwam iemand naar buiten om mij te vertellen dat ik mijn mond moest houden. Het bleek mijn buurman te zijn, dat zei hij tenminste tegen mij, want in het donker kon ik hem niet herkennen. Hij zei nog iets over dat ik de hele buurt wakker had gemaakt en dit niet de eerste keer was, maar veel verstond ik er niet van. Ik stond als een gek te springen, zo blij was ik. Een stevige greep om mijn pols bracht me echter weer tot de realiteit. ‘We weten nu wel dat je de loterij hebt gewonnen, dat hoef je ons niet meer te vertellen’. Nors voegde hij eraan toe: ‘Prima, je bent blij omdat je nu eens zelf hebt gewonnen, en wij niet’. Hier begreep ik niets van en ik keek hem verward aan, de envelop nog stevig in mijn handen gedrukt. Hij zuchtte, geërgerd. ‘Maar eens moet het ophouden, je veroorzaakt overlast..’ ‘Iedereen weet al lang dat je tevreden bent omdat je je wraak hebt gekregen, ja, kijk maar niet zo verbluft. Je wraak. Op ons. Omdat wij, in deze wijk, eens zoveel geld hebben gewonnen en omdat jij op het hoekhuis woont en dus niet tot de wijk behoort en toen dus geen geld hebt gewonnen. En nu heb je het wel, en nu hebben wij niets, maar jij, jij hebt een hele grote berg geld, om in je eentje van te genieten. Bravo. Wees er blij mee. Maar in je eentje. Want wij willen je blijdschap niet meer aan te horen.’ Net toen ik dacht dat hij zijn woordenstroom had beëindigd en me verbluft zou achterlaten zei hij, zacht, maar nog net hoorbaar: ‘Je bezorgt er mensen alleen maar ellende mee, en niet alleen ons maar ook.. jezelf’ In het donker bleef ik achter, en met beverige handen en een akelig voorgevoel hield ik mijn handen in het licht van de lantaarnpaal. Daar was het geld. Versnippert in duizenden kleine stukjes, net als de envelop. Zo onzorgvuldig als ik was geweest, had ik het geld verscheurt. En daarmee ook mijn geluk, beweerde ik. De wind blies alle snippers uit mijn handen weg, en bracht een plotselinge kilte in mijn binnenste.