De lessen van Carver

    De lessen van Carver

    Fragment uit het hoofdartikel van Schrijven Magazine 2 van 2010

    Raymond Carver blies in de jaren tachtig het korte verhaal nieuw leven in. Ook werd hij dé inspiratiebron voor Amerikaanse schrijfstudenten. Een kwart eeuw later viert het korte verhaal zijn comeback. Ook in Nederland, waar Carvers oeuvre voor veel auteurs instrumenteel is geweest. Toch is zijn vertaalde werk in geen enkele Nederlandse boekhandel te vinden. ‘Bizar maar waar’, schrijft Louis Stiller.

    Sommige schrijvers zijn als bergkristallen: richt er je zaklamp op en het licht straalt alle kanten uit. Zulke schrijvers zijn meer dan hun oeuvre, meer dan hun talent, meer dan hun persoon. Ze staan voor iets groters: voor een compleet spectrum aan thema’s, ideeën en verschijnselen.

    Neem Gerard Reve. Hoewel er de laatste jaren flink wordt gediscussieerd over de waarde van zijn oeuvre, staat één ding vast: in Reve’s leven en werk spiegelde zich vrijwel alles wat de naoorlogse literatuur zo bijzonder maakte. Zoals de herontdekking van het autobiografische schrijven en de herwaardering van de brief als literair middel. Maar ook de postmoderne mix van hoge en lage cultuur, en de ontwikkeling van de schrijver tot professioneel kunstenaar. Lees de biografie van Nop Maas en je ziet het bergkristal dat Reve was.

    Raymond Carver (1938-1988) was ook zo’n schrijver. Je kunt je lampje op deze Amerikaanse schrijver richten en je ziet onmiddellijk tientallen lichtvlekken op het behang en het plafond verschijnen. Een daarvan is het Creative Writing-onderwijs aan Amerikaanse universiteiten, waarin Carver een belangrijke schakel was. Hij kreeg les van John Gardner, de oervader van het Amerikaanse schrijfonderwijs, en gaf later het stokje door aan onder anderen Alice Sebold en Denis Johnson. Zo vormde zich een lange keten van schrijvers die elkaar lesgaven en elkaar het vak leerden.

    Literaire workshops
    Carver kreeg in 1959 les van Gardner, in diens ‘Creative Writing 101’-klas op Chico State University in Californië. ‘Gardner geloofde echt in herschrijven, eindeloos herschrijven’, zei Carver later over deze lessen. ‘Herschrijven was volgens hem van het allergrootste belang, in welk ontwikkelingsstadium een schrijver zich ook bevindt.’

    In 1971 begon Carver zelf les te geven, aan de universiteit van Santa Cruz, eveneens in Californië. Niet als gevestigd auteur, maar als zoekend schrijver. Hij had nog maar één verhaal gepubliceerd (‘Neighbors’, in Esquire) en zijn eerste dichtbundel, Winter Insomnia bij Kayak Press, die nauwelijks werd opgemerkt. Twee jaar later volgde zijn aanstelling als ‘visiting lecturer’ bij de Iowa Writers’ Workshop en aan de universiteit van Santa Barbara. Pas in 1977 zou hij doorbreken met de verhalenbundel Will You Please Be Quiet, Please?

    In The Program Era: Postwar Fiction and the Rise of Creative Writing doet Mark McGurl (zie de boekbespreking op pag. 38) uit de doeken hoe in het Amerika van die jaren het creatieve schrijfonderwijs de literatuur beïnvloedde – en andersom. Zo werd de minimalistische stijl van Raymond Carver (die hij op zijn beurt had ‘geleerd’ van Hemingway) langzamerhand de rigueur want bijna verplicht op de Amerikaanse universitaire schrijfscholen. Schrijven is schrappen, ‘less is more’, ‘show don’t tell’: al deze technieken werden in deze tijd geboren en geperfectioneerd.

    Carver als leerling en als docent
    In beide hoedanigheden belichaamde hij het idee dat je béter kunt leren schrijven door een serieuze schrijfopleiding te volgen. Waar we in Nederland nog tot halverwege de jaren negentig moesten wachten op serieuze schrijversscholen, kon in Amerika een bevlogen student al begin jaren zeventig bij tientallen Creative Writing-workshops zijn vaardigheden perfectioneren. Donna Tartt en Brett Easton Ellis gingen zelfs naar dezelfde opleiding, aan Bennington College in Vermont. En ja, ook deze twee kregen ooit les van Carver.

    Een ander lichtschijnsel dat uit het Carver-kristal springt, is dat van de redactiepraktijk. Zoals in de workshop ‘De juiste woorden’ van Annelies Verbeke valt te lezen (zie pag. 20), ging redacteur Gordon Lish wel héél ver in het editen van Carver. Zozeer zelfs, dat Carver zich wanhopig afvroeg of dit nog wel zíjn verhalen waren. De redactiepraktijk is in Nederland weliswaar anders, zoals blijkt uit het artikel ‘De schaar erin?’ van Hansmaarten Tromp (zie pag. 32), maar wat blijft staan is dat boeken vaak het product zijn van de samenwerking tussen schrijver en redacteur. Editen is de praktijk geworden, en deze praktijk gaat veel verder dan het schuiven met punten en komma’s. Of zoals schrijver Frank Noë zegt: “Waarom staat in het colofon van een boek niet standaard de redacteur vermeld? We geloven in de schijn van autonome auteurs, terwijl auteurs dat in werkelijkheid natuurlijk niet zijn.”

    Seismograaf
    Een derde lichtvlek: het korte verhaal. Carver was geen romanschrijver, geen essayist en geen dichter. Hij was bovenal een korteverhalenschrijver. Die schreef hij ruwweg tussen halverwege de jaren zeventig en eind jaren tachtig, in een periode waarin het korte verhaal langzaam ten onder leek te gaan. De grote korteverhalenschrijvers uit de jaren vijftig en zestig (Truman Capote, John Cheever, John Updike) waren verdwenen of hadden zich op de roman gestort. Tijdschriften die in die jaren wekelijks of maandelijks korte verhalen hadden opgenomen, waren zich meer op de journalistiek gaan richten en lieten de literaire bijdragen vallen.

    Hassel
    In Nederland gebeurde precies hetzelfde, zij het met enige jaren vertraging. Na de successen in de jaren zeventig van korteverhalenschrijvers als Maarten ’t Hart, Mensje van Keulen, F.B. Hotz en Maarten Biesheuvel verdween het genre in de jaren tachtig uit de bestsellerlijsten. Het laatste grote korteverhalensucces was De meisjes van de suikerwerkfabriek van Tessa de Loo (1983). De roman had gewonnen en zou zijn plaats niet meer afstaan.

    Maar zie. Vijfentwintig jaar later en we kunnen vaststellen dat het korte verhaal bezig is aan een opleving. Niet alleen in de Verenigde Staten, waar schrijfsters als Annie Proulx, Margaret Atwood, Alice Munroe en A.M. Homes het genre nieuw leven in hebben geblazen. Ook hier in Nederland zijn het vrouwelijke schrijvers als D. Hooijer, Sanneke van Hassel en Annelies Verbeke die het korte verhaal weer op de agenda hebben gezet – evenals hun mannelijke collega’s Ton Rozeman, Anton Valens, Vincent Overeem en David Veldman. Er verschijnen meer verhalenbundels dan ooit tevoren en deze maand wordt zelfs een apart tijdschrift voor dit genre gelanceerd, genaamd Kortverhaal. In het weekend van 16 april a.s. wordt de wederopstanding van het korte verhaal ook nog eens gevierd met ‘Hotel van Hassel’ in cultureel centrum de Balie in Amsterdam.

    Organisator Sanneke van Hassel: “Het korte verhaal is een gevoelige seismograaf. Eerder dan welke roman ook is het genre bij grote omwentelingen in een samenleving ter plaatse voor schets en analyse. Tegelijkertijd past het naadloos in deze kortademige tijd; binnen enkele pagina’s kan het de broodnodige reflectie en emotie bieden.”