De schrijver als schepper – maar welke?

    De schrijver als schepper – maar welke?

    Fragment uit het hoofdartikel van Schrijven Magazine 5 van 2009

    De schrijver is een schepper. Maar wat voor schepper? Een meedogenloze, warme of plagende? Mariëtte Baarda bekijkt het schrijverschap van drie uiteenlopende auteurs. Wat verwachten zij van hun personages en hun lezers?

    Als God allemaal goden had geschapen, was er niks te beleven geweest. Nee, er moest worden gevochten en gebeden, gehuild en gestreden. Daarom was er in de Bijbel al helemaal in het begin de zondeval. En daarom is er in de roman vrijwel meteen Het Conflict.
    In dit artikel zullen drie soorten scheppers worden behandeld. Het zal gaan over het ‘blue’ bij Vonne van der Meer, over hoe personages het soms ‘overnemen’ bij David Grossman en hoe W.F. Hermans zijn karakters inbedt in een logische kosmos waarin ze eerder als personificaties dienen die het vertelde zijn noodzakelijkheid verleent, dan dat ze psychologische portretten vormen.

    Romans schrijven is een wereld toevoegen aan de talloze fictiewerelden die dagelijks aanspoelen bij de uitgeverijen. Parallelle universa die enigszins lijken op onze wereld, met het verschil dat alles wat we lezen, hier op de actie gericht is. Tenminste, als het boek een beetje goed in elkaar zit. Zijn in het echte leven conversaties slordig, ontmoetingen onbestemd en handelingen inwisselbaar, in een roman kan de schrijver zijn hoofdpersoon ‘geconcentreerd’ laten leven en volledig laten opgaan in diens drijfveren, zonder dat we getuige zijn van ieder gesprek of wc-bezoek.

    Show don’t tell. Gedineerd wordt er alleen als er ruzie moet ontstaan, de wc alleen bezocht wanneer er een kater moet worden bestreden. Niet zelden wordt op de eerste bladzijde van de roman op een bijzondere manier ontwaakt; een beproefd middel om het conflict in alle hevigheid los te laten barsten. De hoofdpersoon wordt wakker als insect, naast een onbekende vrouw of in een verlaten stad. En als er niet ontwaakt wordt in vreemde omstandigheden, dan is er wel iets anders dat de orde der dingen verstoort: een nieuwe collega op het werk, iemand die opduikt uit het verleden.

    Werkende schepper
    Hoe gaat de schepper van die personages te werk? Eerst is er het lege vel, de knipperende cursor. De ruimte is nog woest en ledig. Dan moet de schrijver scheppen, met alle bovenmenselijkheid die hij bezit, met alle eigenaardigheden, alle obsessies. Als het goed is, stelt hij alles in het werk om ons te laten doorlezen. Hij kan ervoor kiezen om zijn personages in onwetendheid te laten van naderend onheil, of omgekeerd: de lézer aan het einde van het boek de afgrond in te kieperen. Hij kan ons machteloos laten toekijken hoe een karakter ten onder gaat doordat hij cruciale informatie mist, of juist de lezer wezenlijke details onthouden, zodat we tastend als blinden tussen de alinea’s naar houvast zoeken. Is hij meedogenloos, of leidt hij ons na een boek vol ontberingen naar een louterend einde? Wat voor Schepper wil de schrijver eigenlijk zijn?

    W.F. Hermans: de meedogenloze
    Volgens schrijver en nihilist W.F. Hermans gaat achter elke roman een diep gevoel van onvrede ten opzichte van de wereld schuil. Naar zijn overtuiging is een geslaagd boek een succesvolle herschepping, een universum waarin – in tegenstelling tot in het echte leven – wél zinvolle samenhang heerst. Hermans’ schrijfambitie wordt echter niet door iedereen gedeeld: vrijwel elke schrijver heeft zijn eigen doel, zijn eigen ideologieën. Hoe brengen zij de illusie van de werkelijkheid tot stand?

    W.F. Hermans (Amsterdam 1921-Utrecht 1995) studeerde fysische geografie aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam en werkte daarna als lector aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij wordt, naast Mulisch en Reve, gezien als een van de ‘Grote Drie’ van de Nederlandse naoorlogse literatuur. In 1947 debuteerde hij met de roman Conserve. Hierna volgde een omvangrijk oeuvre in alle mogelijke genres. Grondthema in Hermans’ werk is een persoonlijke wereld- en literatuurbeschouwing die stelt dat de werkelijkheid een zootje is; een chaos waarin de mens tevergeefs waarheid, identiteit, orde en zin probeert te ontdekken.

    Doelmatigheid
    Zowel W.F. Hermans’ wetenschappelijke als literaire carrière kenmerkte zich door strubbelingen en vetes die hij op Hermansiaanse wijze het hoofd bood door zich te revancheren met rechtszaken, het schrijven van sleutelromans en de weigering van de P.C. Hooftprijs. Ook in zijn literatuurbeschouwing is hij extreem. Zo vindt hij dat romans dezelfde overtuigingskracht moeten hebben als wetenschappelijke publicaties, in die zin dat ze even ordelijk dienen te worden geschreven, een zelfde soort samenhang en coherentie moeten vertonen en een zeker maatschappelijk belang moeten dienen. Hoewel romans geen bewijsvoering nodig hebben, moet de schrijver iets dergelijks bereiken door de roman te voorzien van ‘een grote mate van waarschijnlijkheid’. Dus: geen personages halverwege laten opduiken om een plotwending te forceren; alle elementen en gebeurtenissen moeten op een of andere manier zijn ingebed in de vertelling.

    Doelmatigheid dus als scheppingsprocedé, immers: ‘Het gebeurt maar zelden in het leven van werkelijk bestaande mensen dat ze met een bepaald doel iets doen. Een man die dag en nacht bezig is een bepaalde vrouw het hof te maken, of een man die bezig is zich een bepaalde positie in de maatschappij te verwerven – maar dat gebeurt in een normaal mensenleven maar zelden. Meestal leven de mensen maar zo voort, vandaag zoals ze gisteren leefden, enz. Als je nu romans maakt uitsluitend over dat soort personages, dan wordt een roman een soort pseudo-journalistiek en ja, dat wordt vervelend, en goedkoop; dat is niet interessant. Ik vind dat een romanschrijver in de eerste plaats een schepper moet zijn en niet een fototoestel’. (uit: interview van Willem Rogeman met W.F Hermans, De Vlaamse Gids 62, 1978).

    In Hermans’ wereldbeeld bestaan, naast natuurwetten, geen waarheden en daarom valt er niks zinnigs over het leven te zeggen. Ja, dat het hard is en willekeurig en de mens een strijd vecht die hij niet kan begrijpen. Als bij Hermans sprake is van een leugen met verstrekkende gevolgen, zoals in de novelle Filips Sonatine, hoef je aan het eind niet te rekenen op loutering. Bij Hermans loopt het domweg slecht af. In de roman De Engelbewaarder rijdt de hoofdpersoon een meisje dood, terwijl hij op weg is naar de rechtbank, omdat hij vijf minuten denkt te kunnen winnen met een snellere (verboden) route. Al Hermans’ werk ademt deze misantropie. Om een of andere reden stemt al dat venijn tot vrolijkheid: zoals Hermans de mens beschrijft, kun je alleen maar lachen om al diens gestuntel en dikdoenerij. Heel bevrijdend eigenlijk.