De verbeelding aan de macht

    De verbeelding aan de macht

    Fragment uit het hoofdartikel van Schrijven Magazine 1 van 2009

    En nu the million dollar question: waardoor ontstond de kredietcrisis? De stagnerende Amerikaanse huizenmarkt, het doorgeslagen neokapitalisme, de slechte regulering in de financiële markten? Nog eentje voor de moralisten onder ons: ongebreidelde hebzucht. Ik zelf heb een heel ander idee: te weinig verbeeldingskracht. Als de bedrijfskundige, bestuurlijke en politieke elite wat meer verbeelding had gehad, dan was de kredietcrisis er niet geweest. In ieder geval niet zo heftig.

    Verbeelding is een eigenschap die de laatste decennia erg is onderschat. Realisme, daar gaat het om – zowel in politiek en economie als in de literatuur. Harde feiten, statistieken, de geur van de straat: we moeten hier en nu onderzoeken hoe het hier en nu met ons gaat. De toekomst is niet meer dan een vermenigvuldigingsfactor van het nu. Vijf procent meer, drie procent minder, de rest is duister. Wat dat voor gevolgen heeft, deze blinde blik op het heden, heeft 2008 ons laten zien. Niemand die kon begrijpen dat de toekomst zo’n loopje nam met de voorspellingen. ‘Met een waarschijnlijkheid van 99 procent voorspel ik je dat de economische groei in Nederland in 2008 tussen de 0,5 en 3,0 procent bedraagt. En de AEX eindigt tussen de 400 en 700 punten’, schreef Frank Kalshoven in Vrij Nederland. Enigszins gekscherend, maar in december 2007 keek men zo tegen de nabije toekomst aan: een beetje meer van hetzelfde, desnoods een klein beetje minder, maar zeker niet Heel Anders.

    Quichotte
    Wat zou er gebeuren? Nu gaat het me hier niet om de gebrekkige toekomstvoorspellers aan de schandpaal te nagelen – dat is al genoeg gebeurd – maar om het mechanisme daaronder. Want dat mechanisme heeft alles te maken met ons vak: literatuur, schrijven, fictie produceren. En die werkwijze heet uiteraard verbeelding. Als je er met modellen, factoren en enquêtes niet meer uitkomt, dan kun je je alleen nog maar op de fantasie verlaten. Op L’argent van Emile Zola bijvoorbeeld, of Het tulpenvirus van onze eigen Daniëlle Hermans, beide verzonnen verhalen waarin duidelijk wordt dat geldelijke waarde voornamelijk een kwestie van vertrouwen is. Of The Confidence-Man van Herman Melville, waarin je de trucs van oplichters als Bernard Madoff kunt lezen.

    Maar belangrijker nog is de onderliggende premisse van de verbeelding. Namelijk: wat zou er gebeuren als? What if, heet dat in het Engels, en feitelijk zijn alle literaire romans schatplichtig aan deze vraag. Wat zou er gebeuren als een man pas na twintig jaar oorlog en reizen terugkeert bij zijn vrouw? Resultaat: de Odyssee. Wat zou er gebeuren als een man jarenlang alleen op een onbewoond eiland zou moeten wonen, voordat hij ontdekt zou worden? Resultaat: Robinson Crusoë. En wat als een nogal zonderlinge man nog steeds in ridderromans gelooft? Resultaat: Don Quichot.

    Odysseus, stap 3
    In al zijn eenvoud is wat als? de belangrijkste formule van alle romans. Daarbij is het voor schrijvers van het allergrootste belang om te bedenken dat wat als? geen simpel, eenduidig antwoord oplevert. Er zijn immers altijd meerdere scenario’s mogelijk. En elk van die mogelijke plots moet je als schrijver onderzoeken.

    Neem de Odyssee. Wat gebeurt er als een man pas na twintig jaar terugkeert bij zijn vrouw? Antwoord 1: de vrouw kon niet langer wachten, en is inmiddels hertrouwd. Antwoord 2: ze heeft al die tijd gewacht, valt in zijn armen, en ze leven nog lang en gelukkig. Antwoord 3: haar omgeving vindt dat ze al lang had moeten hertrouwen, alleen door een list weet ze de kandidaten van haar af te houden – maar voor hoelang?

    Antwoord 1 levert een verhaal op van verbittering of strijd: als Odysseus na al die jaren zijn vrouw Penelope in de armen van een ander vindt, kan hij zich daarin schikken (en dan heb je geen drama), of een gevecht aangaan met zijn opvolger (kort, hevig, drama). Antwoord 2 levert geen drama en dus geen verhaal op: gelukkige liefdes zijn, helaas, nooit interessant.

    Alleen antwoord 3 levert in feite de ingrediënten voor het lange, uitgesponnen drama dat Homerus voor ons bedacht heeft. Door Penelope op Odysseus te laten wachten, en ondertussen de vrijers aan het lijntje te laten houden (door de draden van de lijkwade ’s nachts weer uit te halen), ontstaat een dramatische spanning die je als verteller lang kunt volhouden, en die bovendien op diverse eindes kan uitlopen (Odysseus’ dood, list of overwinning) die de spanning voor de lezer vast kan houden.

    Wat als? blijkt in de praktijk Wat als dan of te zijn. Je mag je als schrijver nooit alleen maar tevreden stellen met dat ene antwoord, met dat ene scenario. Sommige auteurs werken heel intuïtief en voelen meteen aan welke richting het meeste drama, de grootste spanning en het beste verhaal oplevert. Maar zelfs deze intuïtieve schrijvers zouden af en toe systematisch de andere mogelijkheden de revue moeten laten passeren. Wellicht kan er ook voor hen in verborgen hoekjes een nog mooier drama, een nog beter verhaal schuilen. Wie niet onderzoekt, vindt nooit iets.