Het vertelperspectief

    Het vertelperspectief

    Fragment uit het hoofdartikel van Schrijven Magazine 5 van 2008

    Wat is de beste invalshoek voor jouw verhaal? Heidi Aalbrecht belicht de belangrijkste vertelperspectieven. 'Perspectief is een belangrijk instrument om spanning te wekken.'

    De keuze voor een vertelperspectief is een belangrijke overweging, want het vertelperspectief bepaalt in hoge mate hoe de lezer het verhaal ervaart. Ten eerste moet je je afvragen door wiens ogen de lezer het verhaal volgt. Schrijf je bijvoorbeeld over een misdaad, dan schrijf je vanuit het perspectief van de dader een ander verhaal dan vanuit het perspectief van het slachtoffer. Vervolgens bepaal je of je het personage bij wie het perspectief ligt, zelf aan het woord laat in de eerste persoon (ik), of dat je over hem schrijft in de derde persoon (hij). En een derde overweging is of je de lezer het verhaal laat volgen zoals het zich ontwikkelt, of dat er een alwetende verteller is die commentaar geeft en soms vooruitblikt of terugkijkt.
    Hier worden de belangrijkste vertelperspectieven belicht, zodat je kunt bepalen wat voor jouw verhaal de beste invalshoek is. Maar er zijn ook gevaren. Ontdek daarom hoe je ongelukkige perspectiefwisselingen kunt vermijden en hoe je voorkomt dat je informatie presenteert die vanuit het gekozen vertelperspectief niet bekend kan zijn.

    De lezer manipuleren
    Het vertelperspectief is het punt van waarneming van waaruit een tekst of tekstgedeelte wordt verteld. Het perspectief is dan ook essentieel voor de manier waarop de lezer informatie krijgt over de gebeurtenissen en personages in het verhaal. De fysieke waarnemingen van de verschillende personages in het verhaal verschillen immers, maar ook hun meningen en gevoelens. Daardoor bepaalt het perspectief de visie op gebeurtenissen en personages. Je kunt het perspectief dus gebruiken om de lezer te manipuleren.

    Je kunt onderscheid maken tussen fysisch en psychisch perspectief. Het fysisch perspectief bepaalt hoe de lezer de materiële ruimte van het verhaal waarneemt; hij kijkt door de ogen van een personage. Wat een personage waarneemt, heeft te maken met zijn persoonlijke kenmerken en eigenschappen: een klein kind ziet bijvoorbeeld andere dingen dan een volwassene, en iemand met oog voor detail neemt meer waar dan iemand die vooral op zichzelf is gericht. Wat een personage kán waarnemen, is bovendien afhankelijk van de situaties waarin het zich begeeft.

    Het psychisch perspectief geeft de lezer inzicht in gevoelens, karakter en motieven van personages. Je kunt het psychisch perspectief verdelen in het psychisch perspectief van binnenuit en het psychisch perspectief van buitenaf. Het psychisch perspectief van binnenuit laat de lezer rechtstreeks delen in de gevoelens van een personage: het personage omschrijft wat er in hem omgaat, bijvoorbeeld: ‘Ik was bang’ of ‘Hij voelde zich opgelaten.’ Het psychisch perspectief van buitenaf geeft een omschrijving van de innerlijke toestand van een personage, gezien vanuit het perspectief van een ander personage. Dit andere personage kan niet werkelijk weten wat er in het omschreven personage omgaat, maar baseert zich op zijn eigen waarneming, bijvoorbeeld: ‘Het leek alsof ze op het punt stond om in tranen uit te barsten’, ‘Hij ijsbeerde geagiteerd door de kamer’ of ‘De meisjes begonnen te blozen.’

    Ik-verteller
    De ik-verteller vertelt in de eerste persoon enkelvoud. Vrijwel altijd speelt hij een rol in het verhaal en meestal is hijzelf de hoofdpersoon. Je kunt onderscheid maken tussen de vertellende ik-verteller en de belevende ik-verteller. De vertellende ik blikt terug op zijn eigen of andermans leven en is daardoor in staat om commentaar achteraf te geven; hij heeft immers kennis van het verleden én het heden. Bijvoorbeeld:

    De astroloog ontmoette ik voor het eerst in de zomer van 1980. Het was op een vrijdag de dertiende. Zulke dingen merk ik achteraf pas op.
    (Conny Palmen, De wetten)

    De belevende ik-verteller laat de lezer op de voet volgen wat hem overkomt. Deze vertelwijze wekt de illusie dat alles ‘nu’ gebeurt en dat er geen verteller is. Bijvoorbeeld:

    Ik pak een glas van de plank. Melkresten. Controleert de thuiszorg de kastjes niet? Ik spoel het glas om en vul het met water.

    (Sanneke van Hassel, Witte veder)

    Je kunt de ik-figuur ook laten vertellen over het leven van een ander. In Spijkerschrift van Kader Abdolah vertelt de ik-verteller het verhaal van zijn vader, Aga Akbar. Een groot gedeelte van de roman staat daarom in de hij-vorm, maar ook de ik-figuur treedt op de voorgrond. Soms doet hij mee in het verhaal:

    Ik hoorde mijn vader hoesten. Hij opende het slot en sloop naar binnen.
    (Kader Abdolah, Spijkerschrift)

    En soms openbaart hij zich als de schrijver van het boek:

    Ik vraag me af bij wie mijn vader sliep als hij in de bergen was. Ik wist dat er iemand was en hij wist dat ik dat wist, maar het bleef een geheim tussen ons. Nu ik dagelijks met zijn notities bezig ben, komt die vrouw voor het eerst weer bij me boven.
    (idem)

    Een ik-verteller komt goed van pas als je de indruk wilt wekken dat je een authentiek, haast documentair verslag doet van de gebeurtenissen in het leven van de ik-figuur.