Ná het debuut

Ná het debuut

Fragment uit het hoofdartikel van Schrijven Magazine 1 van 2008

Schrijven Magazine bestaat tien jaar. In de eerste jaargang werd een aantal debutanten geportretteerd, onder wie Tommy Wieringa, Michael Frijda en Rebecca Gomperts. Wat is er sindsdien met deze auteurs gebeurd? Arjan van den Berg ging bij ze langs.

Bijna een decennium geleden berichtte dit magazine, toen nog Tijdschrift Schrijven geheten, over de ervaringen van een aantal schrijvers met Schrijversvakschool ’t Colofon. Twee van hen, Michael Frijda (1961) en Rebecca Gomperts (1966) hadden wel gedebuteerd, maar waren inmiddels gestopt met de school. Een andere schrijver die in die begintijd op de pagina’s van Tijdschrift Schrijven verkeerde, was Tommy Wieringa – eerst als medewerker, later als literair schrijver. Wieringa’s debuut, Dormantique’s manco (1995) en de opvolger Amok (1997) werden in kleine kring opgemerkt, maar deden nog weinig stof opwaaien.
Hoe is het hen vergaan? Hoe moeilijk is het om een tweede, derde, vierde boek te schrijven? Wat drijft het schrijfmotortje voort? Van Wieringa weten we het meest: hij brak door met Joe Speedboot, dat in 2005 verscheen. Maar Gomperts en Frijda, waar zijn zij gebleven?

Gomperts heeft sinds haar romandebuut Zeedrift (1999) geen fictie meer gepubliceerd. Na haar korte tijd bij de Schrijversvakschool greep ze de kans om mee te gaan met een boot van Greenpeace met beide handen aan, waardoor ze de school niet af kon maken. Een roman kwam er sindsdien niet meer uit. “Als ik een schrijver was, zou ik nog wel schrijven.”

Ook Frijda volgde een tijdje lessen bij ’t Colofon, en ook hij maakte de school niet af. ‘Je kunt over oneindig veel dingen schrijven, en juist daardoor raakte ik geblokkeerd. Ik zocht een kader dat me beperkingen oplegde, me alles deed vergeten en mij liet concentreren op wat ik wilde zeggen’, vertelde hij destijds.

Op een gegeven moment wist hij wel wat zijn medecursisten te melden hadden en wilde hij zijn eigen gang kunnen gaan. Frijda’s verhalendebuut Schrikdieren (1998) werd pas zeven jaar later gevolgd door de roman Ritselingen (2005).
Waarom duurde het zo lang? “Ik werk langzaam”, zegt Frijda nu. “Maar ik schrijf vrijwel altijd. Alles wat ik afmaak, wordt gepubliceerd. Zoveel is dat niet.” Wieringa is de enige die niet op een schrijversschool gezeten. Hij begon al vroeg met schrijven. “Ik herinner me niets anders dan de behoefte om te schrijven en om het leven in geschreven taal te vatten.”

De mooiste dag
Tommy Wieringa is het verst gekomen, misschien wel omdat hij altijd al schreef. Als puber al zette hij zijn gedachten op papier en schreef hij brieven en gedichten. Het schrijven van verhalen liet op zich wachten tot zijn twintigste, omdat hij het vóór die tijd niet aandurfde om echt een verhaal te verzinnen. Toen hij dat wel deed, beviel hem dat zo goed dat het schrijven van een boek niet langer dan zo’n drie jaar uitbleef.

Wieringa herinnert zich het moment van zijn debuut Dormantique’s manco (In de Knipscheer, 1995) nog goed. “Ik studeerde destijds Geschiedenis in Groningen en herinner me dat ik bij mijn zuster was, die daar toentertijd ook woonde. Ik had haar mijn oude typmachine, een Brother, gegeven en ik testte het lint. Ik draaide er een vel papier in en ben ik gaan schrijven. Dat was een zinnetjes dat ik had opgevangen in het Mexicaanse restaurant waar ik werkte: ‘Blauw was de kleur van de schoen die hem vol in het gezicht raakte.’”

Een compleet verhaal had hij van tevoren nog niet bedacht. “Zoals ijzervijlsel aan een magneet hangt”, omschrijft hij nu de verhalen waar hij toen al langer mee rondliep en waarin hij pas de samenhang zou ontdekken als hij er een roman van zou maken. “Ik had aardigheid aan die ene pagina die ik bij mijn zuster op die typmachine schreef. Ik dacht: daar zit wat in.”

Hij schreef verder en toen zijn boek klaar was, ging hij met zeven kopieën in een ringband een paar uitgeverijen langs volgens een in de Gouden Gids uitgestippelde weg. In de Knipscheer werd ook met een bezoekje vereerd. Bij deze uitgeverij had Wieringa al eerder een kort verhaal ingeleverd. Rob van Erkelens was er destijds redacteur en hij had al gezegd: ‘Schrijf door, hier zit wat in.’ “Dus ik wist al wel dat er misschien iets van zou komen. Ik leverde het daarom ook bij hem in. Niet lang daarna belde hij me op en riep: ‘We gaan je uitgeven!’ Dat was de mooiste dag van mijn leven.”