Rijk van verbeelding
Rijk van verbeelding
Fragment uit het hoofdartikel van Schrijven Magazine 4 van 2009
Wat als en Waarom zijn de twee belangrijkste schrijfvragen, betoogt Louis Stiller in deze workshop.Wat is een goed verhaal? Makkelijke vraag, lastig te beantwoorden. Althans: in één adem. Honderden boeken zijn er geschreven over de techniek van het prozaschrijven, en in duizenden recensies proberen critici uit te leggen wanneer een roman of een film wél werkt en wanneer niet. Maar als je met een pistool op je hoofd zou moeten zeggen wat een goed verhaal nou precies zo goed maakt, dan zouden al die schrijvers en critici peentjes zweten. Mijzelf niet uitgezonderd; studies Nederlands en Vergelijkende Literatuurwetenschappen achter de rug, duizenden romans gelezen, nog veel meer films gezien, een halve kast aan schrijfboeken doorgewurmd, middagen en avonden met schrijvers gepraat, maar – koud staal op warmbezwete slaap – wat is het geheim van een goed verhaal?
Het makkelijkst is het misschien om met het beroemde voorbeeld te beginnen. ‘De kat kwam binnen en ging in haar mand liggen.’ Dat is geen goed verhaal. Saai, voorspelbaar. Wel: ‘De kat kwam binnen en ging in de hondenmand liggen.’ Het kan in ieder geval het begin van een goed verhaal worden. Het verschil tussen de twee zinverhalen is eenvoudig. In het eerste gebeurt iets wat we allemaal verwachten, wat normaal is. We halen onze schouders erover op. In het tweede verhaal doen we dat niet, want dat heeft potentie. Vele vragen komen bij ons op. Doet de kat dit altijd? Wat als de hond zo dadelijk binnenkomt? Of gaat de hond altijd in de kattenmand liggen? Wacht, is de hond soms overleden en mist de kat hem?
De eerste verhaalzin heeft geen dramatische potentie, het roept niets op. De tweede wel. Er is een mogelijk conflict (hond of baas komt binnen, kat wordt verjaagd), een glimp van een verleden (gewoonte, verlies) en een bijzonder personage: de kat die in de hondenmand ging liggen. Bij elkaar vormen ze het begin van wat een goed verhaal zou kunnen worden.
Slogan
De week van het schrijven heeft dit jaar als thema Rijk van verbeelding. Na een oproep aan schrijfdocenten en -organisaties kwam deze slogan uit de bus. Niet alleen vanwege de grappige woordspeling, maar ook omdat verbeelding blijkbaar iets is wat we missen. Verbeelding heeft namelijk geen goede naam in Nederland. Over het algemeen houden we in onze literatuur van realisme, van schrijven in het hier en het nu, zonder veel poespas. Huiskamerrealisme. En dat terwijl het rijk der verbeelding onbegrensd is en prachtige verhalen, gedichten en dramatische werken kan opleveren, zoals het werk van uiteenlopende schrijvers als Frederik van Eeden, Paul Auster, Gabriel García Márquez of J.K Rowling aantoont. De organisatie van de Week wil dan ook met dit thema een lans breken voor meer verbeelding in de literatuur. De moed om verder te durven gaan dan de gemakkelijk zichtbare werkelijkheid. De durf om je af te vragen: wat als?
Wat als de kat niet naar haar eigen mand loopt maar naar die van de hond? Dat is de vraag die een verhaal in gang zet. Die ons wegleidt van het gewone, van het realisme, van de al te eenvoudige verhalen. In een eerder artikel (Schrijven Magazine, februari 2009) schreef ik dat wat als? de belangrijkste formule is van alle verhalen en romans. ‘Daarbij is het voor schrijvers van het allergrootste belang om te bedenken dat wat als? geen simpel, eenduidig antwoord oplevert. Er zijn immers altijd meerdere scenario’s mogelijk. En elk van die mogelijke plots moet je als schrijver onderzoeken.’
Die gedachte, die techniek wil ik in deze workshop verder uitwerken. Als begeleiding bij de Week van het schrijven, maar ook als aansporing voor een verbeeldingsrijkere literatuur. Bij de workshops en cursussen die ik regelmatig geef (maar ook in de vele debuutromans die ik lees) zie ik namelijk te vaak te weinig verbeelding in de teksten terug. Er worden nauwelijks échte creatieve sprongen gemaakt. In de online cursus Ontdek je schrijftalent vraag ik bijvoorbeeld in de eerste les om een verhaal in een supermarkt te situeren. Daar wordt soms over geklaagd: een supermarkt is zo gewoon, zo weinig inspirerend.
Dat klopt. Behalve als je je verbeelding gebruikt. En je de magische formule wat als gebruikt. Wat als deze supermarkt eigenlijk iets anders is – een observatiepost voor psychologiestudenten (vandaar die rare zwerver met zijn rare vragen) of een plek waar criminelen ongestoord samen kunnen komen (bij de koffiecorner)? Waarom zou een regisseur geen locatietheater laten spelen in de C1000 (de helft van het personeel is eigenlijk toneelspeler)? Wat als er een slang is ontsnapt (en het publiek mag het niet weten)? Wat als de vakkenvullers ineens gaan staken?
OPDRACHT 1: neem je eigen situatie, nu, hier. Vraag je nu af: wat als? Laat je verbeelding alle kanten opstuiteren. Gebruik je verlangens, je frustraties, je fantasie. Noteer de vijf leukste wat als-ideeën en bedenk vervolgens welke van deze ideeën het beste, sterkste of leukste verhaal kunnen opleveren.
Alternatieven
Bij elk onderdeel van het verhaal kun je wat als toepassen. Bij de locatie, de personages, het conflict, de plot zelf, en zelfs bij je woorden en zinnen. Toch heb je nog een andere vraag nodig om van een leuk idee een echt sterk verhaal te maken. Namelijk: waarom?
Elk wat als-scenario levert namelijk een aantal alternatieven op. Kies je daar de interessantste, meest dramatische of leukste uit, dan zul je moeten verantwoorden waarom je dat doet. Die verantwoording zorgt voor de ruggengraat van je verhaal. Je mag namelijk, zoals vaker beweerd, niets aan het toeval overlaten bij het schrijven van een verhaal. Alles moet een reden hebben – een verhaaltechnische, psychologische of dramatische reden.
Neem je personage. Stel je weer even voor dat je een verhaal moet schrijven dat speelt in een supermarkt. Je stelt je wat als-vraag. Wat als deze vakkenvuller helemaal geen vakkenvuller is. Wie zou hij kunnen zijn? Een redactielid van het consumentenprogramma Kassa. Een student Retailmanagement. Of een rechercheur in burger.
Laten we van het laatste uitgaan. De vakkenvuller is een rechercheur in burger. Ze hebben daarvoor hun jongst ogende rechercheur-in-opleiding genomen, een jongeman met een tintje, die niet opvalt tussen de andere vakkenvullers. Daar zit een goed verhaal in, vermoed je, een spannend verhaal.
OPDRACHT 2: neem een personage dat je zou kunnen gebruiken in een verhaal. Een personage dat lijkt op iemand die je kent, of iemand die in je hoofd is verschenen.
Vraag je nu af: waarom is dit personage zo interessant? Wat boeit je precies? Waarom zou je hier een verhaal over willen schrijven? Wat is het geheim van deze personage?

