Ruimte is méér dan decor
Ruimte is méér dan decor
Fragment uit het hoofdartikel van Schrijven Magazine 6 van 2008
Louis Stiller pleit voor meer aandacht voor de plaats en de setting in verhalen en romans.
Verhalen, zo leren de schrijfboeken en -docenten ons, bestaan uit drie kernelementen: personages, conflict, ruimte. Het hoofdpersonage van een roman wil iets wat hij niet meteen kan bereiken (of waarin hij wordt tegengewerkt) en uit dat conflict tussen willen en kunnen ontstaat het verhaal. Dit alles vindt plaats tegen een achtergrond, de plek, de setting, in de leerboeken meestal ruimte genoemd. Als je naar het toneel kijkt, wordt deze kern nog duidelijker. Ga in de zaal zitten en zie wat er gebeurt: een decor, karakters die bewegen en teksten spreken. Ziedaar de vertelling.
Van deze drie basiselementen is vooral de ruimte in de Nederlandse literatuur nogal stiefmoederlijk bedeeld. Ik merk het aan de debuutromans die ik lees, maar ook aan de boeken van befaamde Nederlandse schrijvers. We kennen in onze letterkunde tragische personages als Frits van Egters, Laarmans en Boormans en Maarten Koning, maar het decor, de ruimte, speelt nauwelijks een rol in hun verhalen. Het zijn huiskamers en kantoren, met een paar pennenstreken geschetst. Grootse landschappen treffen we zelden.
Dat is in andere literaturen wel anders. Zie welke rol de oneindige halfwoestijn van Texas en Mexico in de romans van Cormack McCarthy speelt; het gevaarlijke, bruisende Londen in Ian McEwans romans; of de stoffige wildernis van de Braziliaanse sertão (woestenij) in de romans van João Guimarães Rosa. Even veelzeggend is het, dat de beste landschappen die Nederlandse auteurs schrijven, zich in het buitenland bevinden. Lees Lange dagen van Pia de Jong (zie p.9), lees Slauerhoffs Chinaromans. Terwijl W.F. Hermans’ Nederlandse romans voornamelijk decor bevatten, lééft het landschap in Nooit meer slapen, Een landingspoging op New Foundland en in De laatste resten tropisch Nederland.
Bomenschrijver
Ik merkte voor het eerst hoe weinig het Nederlandse landschap betekent in onze literatuur, toen ik drie jaar geleden een groot boek schreef over de bomen van Amsterdam. In dit Amsterdamse bomenboek – uitgegeven bij Atlas – staat van elke Amsterdamse wijk waar zich boeiende bomen bevinden en welke verhalen deze bomen op hebben geleverd. Sommige zijn overlevers uit de oorlog, of van nog vroeger, andere zijn van een speciale soort of hebben een rol gespeeld in de recente geschiedenis.
Op zoek naar de verhalen achter de bomen besloot ik een hele rij romans te lezen die in Amsterdam speelden. Van het vroege werk van Gerard Reve, Simon Carmiggelt en W.F. Hermans tot recenter werk van Oek de Jong en A. F. Th. van der Heijden. Wat daarbij opviel, was dat vooral in de al wat oudere romans geen enkel gewag werd gemaakt van bomen. Het dieptepunt was Theo Thijssens prachtige biografie In de ochtend van het leven. Toevallig een boek dat wel veel in de buitenlucht speelt, maar waarin welgeteld twee bomen voorkomen: een wilde kersenboom op de Zeeburgerdijk en een op straat achtergelaten kerstboom. Bijna driehonderd pagina’s en niet één keer beschrijft Thijssen de majestueuze Hollandse iepen op de grachten of de linden op de Noordermarkt.
En het houdt niet op bij de bomen. Toen ik nieuwsgierig verder las, merkte ik dat – hoe Amsterdams Thijssen ook is – je vrijwel nergens de stad werkelijk ziet, hoort, voelt of ruikt. Hetzelfde merk je bij het prachtboek Kees de jongen. Schitterend geschreven, maar een plek wil het decor van Kees Bakels’ avonturen maar niet worden. In de roman duurt het bijvoorbeeld twaalf pagina’s voordat je echt buiten bent, in De Baarsjes waar Kees en zijn vrienden twee schilders bijstaan. ‘Schuin tegenover een werf hielden ze halt. De schilder begon met tekenen, en de hele middag bleef-ie tekenen, die paar oue rottige schuiten op de werf.’ En daar blijft het bij. Geen ruimte, geen details, geen geluiden, geen geuren. Het gebied komt niet tot leven, wordt niet in je hoofd geplant door een veelzeggend detail of een bijzondere beschrijving.
Personage
Het gaat er me niet om Thijssen postuum af te vallen – daarvoor blijft het een te groot genoegen om hem te lezen. Wel om aan te geven wat ik toch wel een probleem vind bij veel Nederlandse verhalen en romans: het gebrek aan setting, aan gevoel voor ruimte. De plek waar het verhaal speelt, krijgt vrijwel nooit een dramatische lading, speelt nooit een echte rol, wordt geen personage, zoals de prairies van McCarthy, de sertão van Guimarães Rosa of de besneeuwde grensstreken van Turkije in Orhan Pamuks Sneeuw. Bij Pamuk ben je na tien pagina’s koud en bibberig, bij Guimarães Rosa warm en dorstig, bij McCarthy verdwaald en eenzaam. Dat doen de personages niet, dat doet de plot niet, dat doet de ruimte.
Zet daartegenover de Amsterdamse romans van Reve, Hermans, Carmiggelt en Voskuil en je leest veel overpeinzingen, veel dialoog, soms handelingen, maar de dramatische ruimte ontbreekt vrijwel geheel. Het Amsterdam uit deze romans doet niets, geeft geen gevoel weer, speelt nauwelijks zelf een rol. De jongere generatie doet het gelukkig iets beter, merkte ik bij het schrijven van het Amsterdamse bomenboek. Bij De Jong en Van der Heijden tref je af en toe zelfs een treffende beschrijving van bijzondere bomen aan en in Hokwerda’s kind en Advocaat van de hanen krijg je wél een beeld, een gevoel, een idee van de stad Amsterdam.

