Schrijven in beeld

    Schrijven in beeld

    Fragment uit het hoofdartikel van Schrijven Magazine 1 van 2010

    Verhalen vertellen met tekst én beeld, hoe doe je dat? Hoe maak je een kinderboek met een illustrator en hoe zorg je bij een strip dat beeld en tekst elkaar spannender maken? Cathelijne Esser interviewde stripschrijver Marc Legendre en illustrator Philip Hopman die met schrijver Tjibbe Veldkamp vele kinderboeken maakte.

    Toeval is logisch, zei Johan Cruyijff ooit. Toevallig kwam de samenwerking tussen kinderboekenschrijver Tjibbe Veldkamp en illustrator Philip Hopman inderdaad tot stand en logische was het inderdaad – achteraf gezien. Begin jaren negentig organiseerde uitgeverij Ploegsma een (eenmalige) Prentenboekenwedstrijd die Veldkamp en Hopman bij elkaar bracht. Veldkamp, destijds beginnend schrijver, won met een kinderverhaal. “Een poosje daarna bezocht de uitgever mijn studio”, zegt Hopman. “Hij vroeg me of ik iets zag in Tjibbes winnende verhaal. Ik vond het meteen geweldig. Het was slapstickachtig met een dubbele bodem.”

    'Een ober van niks' kwam uit in 1991. Veldkamp: “Het was geen voorbeeldig boek hoor, ik was nog een groentje. Bovendien had de uitgever er zomaar een scène bijgeschreven. Auteursrechtelijk gezien mag dat natuurlijk helemaal niet. Nu zou me dat niet meer overkomen.”

    De samenwerking tussen Veldkamp en Hopman bleef inspireren: tot op heden maakte het duo te zamen zes boeken. Tegenwoordig wil Veldkamp niet zomaar met elke illustrator samenwerken. “Dat weiger ik categorisch. Ik wil alleen voor iemand schrijven wiens grafisch werk ik waardeer. Als beginnend schrijver heb je natuurlijk weinig keus.”

    Veldkamp werkt voornamelijk samen met drie illustratoren. Naast Hopman zijn dat Kees de Boer en Wouter Tulp. “Met deze drie regelmatig een boek maken, is werk genoeg.” Omgekeerd werkt Hopman met een aantal vaste schrijvers. Maar dat is geen garantie dat ook elk project lukt. “Laatst had een auteur met wie ik veel samenwerk een prentenboek geschreven waar ik echt niets mee kon. Dan probeer ik het wel, maar lukt het niet. Hopeloos. Dan geef ik de opdracht terug.”

    Storyboard
    “Eerst gaat iedereen elkaar bellen”, zegt Veldkamp over het werkproces. “’Zullen we een boek gaan maken?’ Daarna ga ik aan de slag en praat met niemand. Niet over het verhaal, zelfs niet over het thema.” Veldkamp doet wat hij wil, maar denkt daarbij wel aan Hopman. “Ik schrijf het verhaal echt voor hem en ik probeer me al schrijvende voor te stellen wat hij zou tekenen. Ook deel ik het boek in, ik geef aan waar de pagina moet worden omgeslagen.”

    Een prentenboek bestaat meestal uit twaalf spreads en het belang van omslaan is niet te onderschatten; je kunt er spanning mee opbouwen. “Hoe Philip zijn illustraties over de pagina’s verdeelt, bepaalt hij zelf. Soms schrijf ik er heel summier iets bij, zoals ‘ik stel me voor dat dit in een duinlandschap speelt, maar je mag ook iets anders doen’. Illustratoren houden er niet van dat hen de wet wordt voorgeschreven.”

    Nadat Veldkamp het verhaal heeft geschreven, gaat het naar Hopman en de uitgeverij. Het kan zijn dat de uitgeverij er nog opmerkingen over heeft. Hopman tekent daarna het hele boek ineens, zonder tussenoverleg met Veldkamp. “Hij wordt graag met rust gelaten als hij tekent.”

    Gaat het altijd zo? Nee, niet altijd. Soms wil de uitgever van tevoren weten wat schrijver en illustrator van plan zijn, soms is er vaker overleg tussen schrijver en illustrator. Veldkamp: “Als ik met een andere illustrator werk, schrijf ik eerst de tekst en tekent hij een storyboard. Dat laten we dan aan de uitgever zien. Maar ik ken ook schrijvers en illustratoren die wekelijks overleggen.”

    Nadat Hopman zijn tekeningen klaar heeft, kijkt Veldkamp nog een keer naar de tekst. Zijn er details getekend die nu niet meer gezegd hoeven te worden, of juist wel? “Soms wil je juist iets niet zeggen”, zegt Veldkamp. “Zoals aan het eind van Het schoolreisje, daar gebeuren in de tekening veel dingen die niet met woorden beschreven worden.”

    Nutteloze details
    Temmer Tom was het tweede prentenboek van Veldkamp en Hopman. Begin dit jaar verscheen een herdruk met, opmerkelijk, nieuwe illustraties. Waarom wilde Hopman zijn werk overdoen? “De eerste druk kwam uit in 1992”, zegt hij. “Ik tekende toen met een pennetje en kleurde de platen transparant in. Dat doe ik nu anders. Voor de nieuwe editie wilde ik voor het hele boek alleen maar kijkplaten maken. Ik vind het leuk een wereld te scheppen waarin je kunt verdwijnen, dingen te tekenen die niks met het verhaal te maken hebben, verrassingen. Het lastige aan dit verhaal is dat de eerste vijf scènes plaatsvinden op verschillende plekken, maar de volgende vijf scènes in één kamer spelen. Hoe ga je dat interessant houden qua beeld?”

    In Temmer Tom probeert Tom de aandacht van zijn vader te krijgen door hem kunsten te laten zien die hij dieren heeft geleerd. Maar vader is bang voor alle dieren en blijft hele dagen in zijn werkplaats werken. Hopman: “In de eerste editie zie je inderdaad een timmerwerkplaats. Maar bij de tweede editie heb ik de vader in een schuur getekend, omringd door een treinlandschap. Je zegt met zo’n interieur ook iets over die vader. En ondanks dat het een sukkel is en hij bang is voor vlinders en kikkers wilde ik er toch een sympathieke man van maken. Zijn uiterlijk heb ik niet al te uitgesproken getekend, net als het uiterlijk van Tom. Kinderen moeten kunnen denken ‘ik zou die held kunnen zijn’. Omdat ik Temmer Tom al een keer gemaakt heb, was ik vertrouwd met de karakters. Maar wanneer ik aan een nieuw verhaal begin, moet ik eerst heel lang nadenken hoe de hoofdpersonen in elkaar zitten. Dan wil ik allerlei nutteloze details vinden die bij hen passen, bijvoorbeeld dingen in de kleding of het interieur.”

    Wat teken je, wat laat je weg? Dat ligt aan de leeftijd van de lezers. ‘Voor heel jonge kinderen zijn plaatjes belangrijker dan woorden”, zegt Veldkamp, “en dan moeten de beelden het verhaal kunnen vertellen. Voor hen moet je alle essentiële handelingen tekenen, anders snappen ze het niet. Bij oudere kleuters kun je dingen weglaten.”