Schrijven is scènes bouwen

Schrijven is scènes bouwen

Fragment uit het hoofdartikel van Schrijven Magazine 5 van 2007

Show, don’t tell luidt het cliché, maar hoe doe je dat? Door te denken in scènes, net als op het toneel en bij de film, beweert Chris Lembeeckx. ‘Zoek uit waar alles tezamen komt, waar je verhaal zich samenbalt.’

‘Sam komt het duin af rennen. Meestal doet hij alsof hij een vliegtuig is dat zigzaggend aan het dalen is, maar nu lijkt hij wel in paniek. Hij kijkt ernstig, alsof er geen tijd te verliezen is. Ik leg De Schat van Scharlaken Rackham voor me neer op de vochtige handdoek. Sams moeder ligt op haar buik, haar handen onder haar hoofd. Ze heeft haar ogen gesloten alsof ze pijn heeft. De huid van haar rug glanst. Ik kijk graag naar haar.’
Zo begint de nieuwe roman van Thomas Verbogt, Eindelijk de zee. Als lezer zit je meteen op de eerste rij: er is een fraaie setting (strand, duinen, handdoek), er zijn personages die je intrigeren (waarom kijkt de ik-persoon graag naar de moeder, is er iets tussen hen voorgevallen?) en er is actie: Sam die in paniek lijkt en het duin komt afrennen. Je ziet het voor je ogen gebeuren, inclusief het fleurige omslag van het Kuifje-album en de glanzende rug van de moeder.
In het vervolg van dit eerste hoofdstuk komen we te weten waarom Sam zo in paniek is. Hij neemt de ik-persoon, Bo, mee naar een schuilkelder waar een man en vrouw, doodstil op elkaar liggen. ‘“Dáár!” Ik wijs naar de hand van de man die een revolver vast heeft, de loop op zijn hoofd gericht. “Ze zijn hartstikke dood”, zegt Sam, ineens heel hard. “Kom op, wegwezen hier, rennen!”’
De jongens waarschuwen de moeder, die op haar beurt strandwachten inlicht. Dan sluit het hoofdstuk. ‘We kijken elkaar niet aan, Sam en ik, alsof we ons schamen. We staren naar de zee, naar de golven die onrustig en fel glanzen in het zonlicht. Het is de zomer van 1962. Ik ben bijna tien.’

Misschien is het wel het grootste geheim van het moderne schrijven: ensceneren. Scènes schrijven. Handelingen onderbrengen op een plek en in korte tijd tot ontwikkeling brengen. Het eerste hoofdstuk van Verbogts boek is daar een schoolvoorbeeld van. In zes pagina’s laat hij zien wat voor enorme gevolgen het ontdekken van een dood paar op het leven en denken van twee jonge jongens kan hebben. Dat het een band smeedt die sterk en tegelijkertijd problematisch is. Dat had hij ook in een zinnetje of een paar alinea’s tussendoor kunnen schetsen (‘Ooit ontdekten we twee lijken in een schuilkelder – dat heeft ons leven getekend’), maar veel indruk zal dat niet maken op de lezer. Je leest immers zoveel zinnetjes of kleine verwijzingen en als die zich niet in je hoofd nestelen, zul je ze nauwelijks onthouden. Verbogts openingshoofdstuk wel. Die blijft je bij.
Als je een verhaal tot leven wilt laten komen, zo is de wijze les van Verbogts roman, moet je leren om je verhaal in betekenisvolle scènes onder te brengen. Toch wordt daar in de literatuur relatief weinig aandacht aan geschonken. Wel aan de plot in zijn geheel, aan personages, aan het conflict, aan de noodzaak van begin- en eindscènes, maar niet of nauwelijks aan het verdichten van de handeling in scènes zelf. En dat is vreemd, want in het verwante toneelgenre is dat zo’n beetje het eerste stukje vakmanschap dat je aan moet leren. Een nieuw pleidooi dus voor het uitwisselen van vakkennis tussen de literaire genres.