Van Au tot Zzz - een leven lang schrijven
Van Au tot Zzz - een leven lang schrijven
Fragment uit het hoofdartikel van Schrijven Magazine 4 van 2010
Schrijven kun je altijd, zelfs op hoge leeftijd. Toch kun je er niet vroeg genoeg mee beginnen. En niet te vroeg ophouden, beweert Louis Stiller.
Arnon Grunberg was 23 jaar jong toen hij in mei 1994 met zijn roman Blauwe maandagen als bij donderslag de Nederlandse literatuur binnenviel. Het boek werd een grandioos succes, er volgden talloze vertalingen en de auteur werd bekroond met de Anton Wachterprijs en het Gouden Ezelsoor.
Grunberg is niet de enige die op jonge leeftijd de boekenwereld op zijn grondvesten deed schudden. Ook Gerard Reve was (nog net) 23, toen op 1 november 1947 De avonden verscheen. En Joost Zwagerman was eveneens 23 toen hij in 1986 met De houdgreep de literaire wereld verbaasde.
Hoewel 23 een magisch getal lijkt te zijn voor debuterende schrijvers is het maar aan weinigen gegeven om op zo’n jonge leeftijd al de sterren van de hemel te schrijven. Sterker nog: volgens een onderzoek van kunst- en cultuurwetenschapper Lenny Vos uit 1996 (later bevestigd door andere onderzoeken) blijkt de gemiddelde Nederlandse debutant 38 jaar oud te zijn. Tien procent van de aankomende schrijvers is zelfs ouder dan 51. F.B. Hotz was 54 toen hij in 1976 met de verhalenbundel Dood weermiddel debuteerde. De toen 61-jarige Jan Wijnen werd in 2005 voor zijn debuutbundel Het kwade amen genomineerd voor de Academica Debuutprijs.
Levenservaring
Heel wat bekende schrijvers leverden vaak pas na hun vijftigste hun beste werk af. Mulisch’ grootste romansucces, De ontdekking van de hemel, verscheen toen hij 65 was. Siegfried schreef hij op 73-jarige leeftijd. En Willem Brakmans roman Naar de zee, om het strand te zien verscheen in 2006, twee jaar voordat de Enschedese schrijver op 86-jarige leeftijd zou overlijden.
Schrijven kun je altijd, zelfs op hoge leeftijd. Als voetballer ben je op je 35e uitgerangeerd, als danser ga je op je 40e met pensioen en als muzikant moet je vóór je dertigste meestal al genoeg naam hebben gemaakt om later als grijze rocker nog op retrofestivals en rollatorfeestjes op te mogen treden. Maar als schrijver heb je geen last van afnemende spierkracht, longinhoud of een tanend jong en wild uiterlijk. Je hebt slechts levenservaring nodig; je moet gereisd, gewerkt, geliefd, gehaat en geleefd hebben.
Toch kun je niet vroeg genoeg met schrijven beginnen. Het liefst op een leeftijd waarop je verbeeldingskracht het sterkst is en je oorspronkelijkheid nog niet te veel is aangetast. Dat weten ook uitgevers en literair agenten maar al te goed. Daarom zijn ze voortdurend op zoek naar de Franka Treurs, Philip Huffs, Hannah Bervoetsen en Robbert Welagens. Allen jong, mooi, frisgewassen – net als hun boeken. ‘Uiterlijk telt tegenwoordig meer dan ooit’, schreef Nausicaa Marbe in een column naar aanleiding van de afgelopen Boekenweek. Maar hoe bestendig zijn literaire carrières die op een boek en een frisgewassen uiterlijk zijn gebaseerd?
Zomaar begonnen
Debutant Thomas Heerma van Voss is daar niet zo mee bezig. Van de jonge student, geboren in 1990, kwam vorig jaar, op zijn negentiende, de roman De Allestafel (Augustus) uit. Wat als hij, nu hij studeert, nauwelijks meer aan schrijven toekomt? Wat als hij geen inspiratie of zin meer heeft? Een schrijver zal Heerma van Voss zichzelf dan ook niet snel noemen. “Alleen omdat ik nu één boekje op mijn naam heb staan? Dat lijkt me wat overtrokken. Het maakt me eigenlijk niets uit hoe ik genoemd word: zolang men maar niet begint te schelden, zijn alle betitelingen wel toegestaan. Maar als iemand mij vraagt wat ik doe, zeg ik niet: ‘Ik ben schrijver’. Dan zeg ik óf dat ik werkloos ben, óf dat ik studeer. Dat hangt af van de persoon.”
Heerma Van Voss was achttien toen hij in een zomervakantie samen met ouders en broer twee weken in Frankrijk was. “De boeken die er waren had ik al gelezen, de films al bekeken en bovendien regende het aan de lopende band. Daarom besloot ik zonder vooropgezet plan maar iets te tikken, over een man met witte sokken. Dat leek me wel grappig. Vervolgens verzon ik er nog een scène bij, en nog een, en nog een. En toen was het ineens een verhaal.”
Thuisgekomen werkte hij er verder aan. En toen het af was, liet hij het zijn ouders lezen. “Ik ben zomaar begonnen en toen heb ik al wel in een vroeg stadium stukjes aan mijn ouders laten lezen, om te zien of het ergens op sloeg wat ik deed. Zij zeiden van wel, maar goed, hun oordeel is natuurlijk niet het meest objectieve. Vervolgens heb ik daarom ook enkele andere kritische lezers ingeschakeld. Ook zij waren er tot op zekere hoogte over te spreken, en dus schreef ik rustig verder.” Uiteindelijk stuurde hij het manuscript naar uitgeverij Augustus, waar zijn moeder ook bij publiceerde. “Die lazen het en wilden het meteen uitgeven… Dus waarom niet?”
Zo kan het gaan, in een leven van een jonge auteur: een verregende vakantie, de lol van het schrijven en een sluipweggetje naar een uitgeverij. En dan ineens ligt je boek daar, op je twintigste, 144 pagina’s fraai gedrukte pagina’s, in kleine stapeltjes bij bekende boekhandels. Er verschijnen recensies, in bladen en op websites. Zoals op De Leestafel: ‘Al met al een opmerkelijk boek met een bijzondere hoofdpersoon, dit belooft wat voor de toekomst!’ En op Recensieweb: ‘De stijl van Heerma van Voss doet met zijn vele aforismen en cynische humor denken aan die van Grunberg, terwijl de troosteloosheid die zich in De Allestafel manifesteert, herkenbaar is uit het werk van bijvoorbeeld Reve. Zijn debuutroman is daardoor niet erg revolutionair, maar wel zeer vermakelijk.’
Heerma van Voss blijft er nuchter onder. “Uiteindelijk heeft het weinig veranderd in mijn dagelijks leven. Niets eigenlijk, dat gaat gewoon verder. Toch is het leuk om van tijd tot tijd te merken of te lezen dat iemand er aandacht aan besteedt of besteed heeft. Het staat natuurlijk ook leuk in je boekenkast: een boek met je eigen naam erop.”
Of hij een blijvertje is in de literatuur, weet hij ook niet. “Waar ik over vijftien of dertig jaar ben als schrijver? Tja, ik zal tot die tijd ongetwijfeld wel meer hebben geschreven dan alleen De Allestafel. Maar misschien ben ik dat over vijftien of dertig jaar al zat. Of, ook mogelijk natuurlijk, is dan iedereen mij al ruimschoots zat.”

