Auzzz
Auzzz
Hoofdredactioneel uit Schrijven Magazine 4 van 2010
In een vorig leven was ik een tijdlang automatiseringsjournalist. In die hoedanigheid kwam ik vaak in Los Angeles. De eerste keer, in 1987, logeerde ik bij een schoolvriendin op Santa Monica Boulevard, een vierbaansweg die het duurste deel van Los Angeles doorkruist – van de kust tot het enigszins vervallen West-Hollywood. De vriendin, Corine, woonde in het zwembadhuis van de villa die bewoond werd door een oud joods stel, vijftig jaar daarvoor gevlucht uit Duitsland.
Als ik ’s ochtends na het ontbijt het huis verliet om aan mijn vermoeiende tochten door Los Angeles te beginnen, zat de kleine oude man in de hal achter een gigantisch bureau, vol stapels papier en met veters dichtgebonden mappen. ‘Wat doet hij toch achter dat bureau’, vroeg ik op een avond aan Corine. ‘Het lijkt wel alsof hij nog steeds aan het werk is.’ Dat beaamde ze. ‘Hij is altijd accountant geweest, en dat werk doet hij nog steeds voor allerlei mensen.’ Voor het geld hoefde hij het niet meer te doen, vertelde ze, hij hield er gewoon van om aan het werk te zijn. ‘Zonder dat bureau met die mappen zou hij allang zijn gestorven.’
Nog lange tijd na mijn bezoek aan Los Angeles kwam het beeld van de oude man achter zijn bureau vaak bij me op. Vooral door de rust en de vanzelfsprekendheid die er van die stapels bankafschriften, grootboekvellen en kasadministratie uitgingen. Ik was destijds 27 en stond aan het begin van een carrière. Maar hier was iemand, op de drempel van de dood, nog steeds bezig met, tja, gewoon met werken.
Schrijven is werk. Hard, en vooral langdurig werk. Een roman schrijven doe je niet in een paar minuten, zoals Paul McCartney deed met het Beatlesnummer Yesterday. Dat kwam hem in een droom aanwaaien. Hij schreef het na het ontbijt op en speelde het een paar uur later voor John, George en Ringo. Even naar de studio en toen stond het op de band.
Zo gaat dat niet bij schrijven – zelfs meestal niet bij een gedicht. Schrijven is zwoegen. Kilometers maken. Uren, dagen, maanden, jaren. Het nadeel is wel weer dat je daarmee ook moeilijk heel jong al een glanzende, succesvolle carrière als literair auteur van de grond kunt tillen. Jonge literaire sterren zijn zeldzaam, zeker in Nederland. Ze zijn er wel (Reve, Maria Min, Grunberg, Zwagerman, Treur), maar ze vallen in het niet bij de tientallen piepjonge (pop)muzikanten, ontwerpers, fotografen, dj’s en cabaretiers die elk jaar doorbreken – om over sporters maar te zwijgen.
Soms duurt het zelfs een half leven lang, voordat alles klopt. Een paar maanden geleden liep ik met schrijver Bert Natter door de binnenstad van Utrecht naar het station. Ik had hem geïnterviewd in Boekhandel Kroese in Utrecht, en daarna nog wat tips en aanwijzingen gegeven over debuteren voor de workshopdeelnemers. Ik vroeg hem waarom het zo lang had geduurd. Natter debuteerde immers pas op veertigjarige leeftijd met zijn roman Begeerte heeft ons aangeraakt. ‘Lang?’ zei hij. ‘Wat is nou lang? Je kunt je hele leven schrijven. Als je dan op je veertigste begint, heb je nog een hele tijd om alles te verwezenlijken wat je in je hoofd hebt.’
Natters gelijk is even overdonderend als waar: waarom al die haast? Goed debuteren kun je maar één keer. En dat deed hij. Vorig jaar won zijn roman de Selexyz Debuutprijs 2009 en twee maanden geleden de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs 2010. Meer dan 100.000 exemplaren werden verkocht. Meer dan veel schrijvers kunnen zeggen die vanaf hun twintigste aan de weg timmeren.
Ineens zag ik het beeld voor me: de oude Natter achter zijn enorme bureau. Mappen, papier en een verzaligde glimlach. Schrijven: je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen. En niet oud genoeg mee eindigen.

