Beperking

    Beperking

    Hoofdredactioneel uit Schrijven Magazine 5 van 2009

    Op de foto die onderaan de papieren pagina staat, ben ik brilloos. Met dank aan de zegenrijke opmars van de contactlens – een modern optisch instrument dat ik voor het eerst op 2 juni 1982 in beide ogen mocht dragen. Tot die tijd moest ik me behelpen met afzichtelijke donkergerande brillen, meestal voorzien van butsen en schrammen en het nodige plakband om wankele pootjes te ondersteunen.

    Het wonderlijke aan die bril – thuis draag ik zo’n ding nog wel eens – is niet eens zozeer dat hij je blik omkadert, maar vooral het idee dat je hem eerst niet had. Zo moet er een tijd geweest zijn dat ik al wel bijziend was, maar daar nog geen weet van had. Als je Eskimo bent, weet je niet anders dan dat de wereld wit is. Een helgroen grasveld doet dan pijn aan de ogen.

    Zo vergaat het ook de myoop: hij weet niet anders dan dat de wereld een beetje vaag is, vooral als de afstand toeneemt. Als achtjarige kon ik het schoolbord niet lezen, maar ja, ik zat ook achteraan en dus pende ik maar over wat mijn buurvrouw opschreef. Lastiger werd het toen de juf voorlas uit een boek over een vissersstadje met een haven. Voor in de klas hing een prachtige gekleurde schoolplaat (zei men) waarop het stadje was afgebeeld, inclusief de personages uit de verschillende verhalen: het zieke meisje op haar zolderkamertje, de jongen met het hondje, de hinkelende meisjes.

    Terwijl de juffrouw ons meenaam naar dat stadje, met haar woorden, met haar stem, moest ik in mijn hoofd zelf die beelden maken. Met de wazig-kleurige vlek in de verte kon ik immers weinig. Ik zag het zieke meisje voor me, het hoge bed met de koperen spijlen, de zon die door de vitrages viel, de lampetkan voor het raam. Ik hoorde het rumoer van de hinkelaars, het geblaf van het hondje, en op het ritme van juffrouw Elzinga’s stem kwam het hele vissersstadje tot leven.

    Een half jaar later kwam de schoolarts en kreeg ik een bril. Ik was verdoemd. Niet tot het ondergaan van pesterijen – op de een of andere manier wist ik die altijd te ontlopen – maar tot de werkelijkheid. Ineens was alles scherp en helder, en bleken de tekeningen op de kleurplaat lelijk en grof. Het prachtige, levendige stadje in mijn hoofd kreeg ik niet meer terug.

    Hoe ontstaat verbeelding? Door inspiratie, door creativiteit, door bijzondere oefeningen en inzichten. Maar vooral door bijziendheid.
    Koester je beperkingen – dat is de enige les die ik in klas 3 van de Haven te Roden heb onthouden.