Doceren is doseren
Doceren is doseren
Hoofdredactioneel uit Schrijven Magazine 6 van 2007
Drie jaar geleden werd ik door Arie van den Berg gevraagd om essaydocent te worden aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. Na enige aarzeling – (‘ja maar hoe..., ja maar ik ben...’) zei ik zonder verdere maren ja en kwam ik in een bijenkorf vol nijver zoemende aspirantschrijvers terecht. Zelden zoveel literair talent en enthousiasme ontmoet, al is het allemaal even pril als wankel. Sindsdien geef ik elke maandagavond les en is het loopje naar de Keizersgracht deel van mijn wekelijks bestaan geworden.
Schrijven is niet te leren, is de oeverloze, versleten discussie die telkens oplaait als je het over schrijfonderwijs hebt. Je kunt het of je kunt het niet. Je hebt talent of niet. Dat er zoiets bestaat als talent ontdekken, ontwikkelen en op scherp zetten, komt in deze discussie nooit voor, maar is wel precies wat zo’n school als de Schrijversvakschool doet, heb ik gemerkt. Techniek leren, genrekennis overdragen, laten zien hoe de grote meesters het vóór ons deden: het speelt allemaal een rol. Maar het belangrijkste bij een schrijfcursus, -workshop of -opleiding is de onzichtbare radertjes van het schrijftalent aan het draaien krijgen.
Een proeve daarvan staat te lezen in het essay over ‘bewonderend schrijven’ op pagina 10 van een van mijn Schrijversvakschoolstudenten, Mariëtte Baarda. Ze won de zinderende competitie van haar klasgenoten omdat ‘De taal der bewondering’ het scherpste en fijnzinnigste essay over het onderwerp was. Daar doe je als docent weinig aan: een student schrijft zelf, je kunt het schrijfenthousiasme aanwakkeren door een opdracht te geven, je kunt scherpe aanwijzingen geven en scherp commentaar, maar het schrijven zelf is voor de volle honderd procent het werk van de student. Een docent is een student die zelf niet hoeft te schrijven, zo besefte ik een tijd geleden. Met wat gedoseerde aanwijzingen, een kritisch oog en liefde voor het vak kom je een heel eind.
Maar hoe doe je dat, doceren? Is er een methode voor, zijn er aanwijzingen, moet je elke week een opdracht geven, en hoe groot mag die zijn? Wat doe je met overijverige of overkritische studenten, en wat met degenen die keer op keer de opdrachten niet afmaken? Overleg met andere docenten leverde veel kennis en inzichten op, maar mijn eigen docentschap blijft wankel, vind ik. Veel kun jezelf uitvinden, maar wie geeft richting, wie behoedt je voor de grootste valkuilen?
Dat is ook een van de redenen waarom Kunstfactor Schrijven erop hamert dat er een goede opleiding voor schrijfdocenten komt (zie Resumé op pagina 7). Schrijven is niet te leren, en het doceren van dit prachtige vak ook niet. Maar al het andere eromheen kun je wél verbeteren: enthousiasmeren, kritisch lezen, de juiste aanwijzingen geven, doceren is immers doseren. Ook het schrijfdocentschap is een kwestie van talent, de radertjes laten draaien. Daarom is het goed dat er aandacht wordt gevraagd voor het ontbreken van een goede ondergrond. Waarom stellen we het wél op prijs om algemene docenten op te leiden aan Pabo’s en universiteiten en muziekdocenten aan conservatoria, maar laten we schrijfdocenten het wiel telkens opnieuw uitvinden?
Dat zou déze onbevoegde docent wel eens willen weten.

