Elektronisch typen

    Elektronisch typen

    Hoofdredactioneel uit Schrijven Magazine 6 van 2009

    ‘En dan zien we je over een tijdje wel terug.’ Ik kan me de woorden van de hoogleraar Vergelijkende Literatuurwetenschappen nog goed herinneren. Het was het voorjaar van 1984 en ik had een vuistdikke scriptie over Jack Kerouacs cultroman On the Road geschreven. Met potlood had mijn scriptiebegeleider op vrijwel alle pagina’s aantekeningen en commentaar gezet. Hier moest een citaat inspringen, daar moest een term uit de receptie-esthetica nog iets beter uitgelegd worden: honderden krabbeltjes telde dat prachtige typoscript ineens.

    Wat de vriendelijke hoogleraar echter niet wist, was dat ik de scriptie niet op een schrijfmachine had uitgewerkt, maar op een computer. Weliswaar was dat een heel vroeg en wankel exemplaar (een Acorn BBC-B, ik heb hem nog steeds), maar het bijbehorende tekstverwerkingsprogramma Wordwise werkte prima. Bovendien kon ik het beige-oranje apparaatje op een margrietwielprinter aansluiten, waardoor de pagina’s er ‘als uitgetypt’ uitzagen.

    Twee dagen later was ik klaar met het verwerken van de aantekeningen en verbeteringen. Wat te doen? Naar de faculteit fietsen en het hele pak bij de secretaresse inleveren? Kon dat wel? Ik kende immers genoeg zwoegende en zwetende studenten die hun honderden pagina’s tellende scriptie in de zomermaanden opnieuw moesten uittypen. Woord voor woord, regel voor regel. Pagina voor pagina. Het enige wat ik hoefde te doen, was op print drukken en de Brother voeden met losse A4-pagina’s.

    Uiteindelijk bedacht ik een compromis. Twee weken wachten. En dan net doen alsof ik dag en nacht had doorgetypt. Dat laatste bleek nog het moeilijkste. Tot diep in de nacht hing ik in de Groninger kroegen, om na een korte slaap op te staan en in een bibliotheek of park rond te hangen, met boek en notitieblok. Na twee weken zag ik eruit als een vaatdoek die te vaak door de wringer is gehaald. Ik zorgde ervoor dat ik op de faculteit kwam op het moment dat de hoogleraar in zijn werkkamer was. Lichtjes slepend met een been (dat had ik ergens op toneel gezien), presenteerde ik de gloednieuwe versie van mijn scriptie, 216 pagina’s dik.

    ‘Zo, dat heb je snel gedaan.’
    ‘Door… getypt’, zei ik met raspende stem. ‘Steeds maar… doorgetypt.’
    Zijn linkerwenkbrauw ging omhoog.
    ‘Zo…’

    Nog voor de zomer studeerde ik af. De scriptie werd goedgekeurd en kreeg als eindcijfer een 7,5. Dankzij de Acorn BBC-B, een Brother-margrietwielprinter en een belachelijk toneelspelletje.

    Van elektronisch schrijven wist ik vanaf dat moment alles af. Van de snelheid, de oneindige verbetermogelijkheden en de vlekkeloze output. Maar ook van de valkuilen. Waarom niet een maandje of wat langer gewerkt aan die scriptie? Dan had ik nog meer geleerd van Kerouacs ontvangst in de Lage Landen, van de literatuurwetenschap, en van het herschrijven. Misschien had ik er een cum laude van kunnen maken. Nu was ik alleen maar snel en slim geweest. Hoe lang kun je daar op teren?

    Zoals Dirk van Weelden in het interview op pagina 14 zegt, verlies je veel bij elektronisch schrijven. De intimiteit van het schrijven, bijvoorbeeld, en de lichamelijkheid: een typemachine vereist spierkracht. Ook herschrijven is op een computer anders dan op een schrijfmachine, vertelt hij. Wat je aan snelheid wint, verlies je aan ritme en precisie.

    En zo is het altijd gegaan: nieuwe technologie helpt ons vooruit, maar ergens verlies je iets. En wat dat is, daar kom je pas veel later achter.