Heerlijke nieuwe wereld

    Heerlijke nieuwe wereld

    Hoofdredactioneel uit Schrijven Magazine 6 van 2008

    Je zou zeggen dat naarmate je ouder wordt, je steeds meer begrijpt. Je krijgt immers meer ervaring, meer inzicht, je begrijpt beter wat de achtergronden van conflicten en situaties zijn en kunt beter lijnen trekken tussen hier en daar, toen en nu. Toch lijkt bij mij het omgekeerde het geval. Ondanks de enorme stapel boeken, documentaires en kranten die ik las in de 49,8 jaren van mijn bestaan, begrijp ik een heleboel niet. Eenvoudige dingen zoals een kredietcrisis die zich al een jaar liet aanzien, maar die overheden, instellingen, banken en personen toch niet kon tegenhouden om risicovol te beleggen. Maar ook lastiger zaken als waarom de aller-, allergoedkoopste Gunpowder thee van € 1,65, waar je een half jaar mee doet, nog altijd de lekkerste is.

    Reis om de wereld
    Een van die dingen die ik ook maar niet kan begrijpen, is het subsidiestelsel van het Fonds voor de Letteren. Wel het stelsel als geheel – we zijn een klein land, schrijvers kunnen zich niet zelf bedruipen, we willen hogere literaire kwaliteit – maar niet een van de belangrijkste onderdelen van het stelsel: de reisbeurs. Met die reisbeurs kunnen schrijvers naar plaatsen op deze aardbol reizen om onderzoek te doen voor hun nieuwe roman, dichtbundel of biografie. Als je de toegekende aanvragen leest –het staat allemaal op de site van het Fonds te lezen –, reis je in tachtig romans de wereld rond. ‘De auteur David Mulder reist naar de Canarische Eilanden ter voorbereiding van zijn derde roman.’ ‘De jeugdboekenschrijvers Bert Kouwenberg en An ‘t Oosten kregen een beurs voor een reis naar Spanje voor een gezamenlijk project: een historisch jeugdboek dat in het zestiende-eeuwse Spanje gesitueerd is.’ ‘Auteur Jeroen Thijssen – in 2007 als romancier gedebuteerd met Broeder, na enkele verhalenbundels te hebben gepubliceerd – wordt in staat gesteld Indonesië te bezoeken.’

    Gé Vaartjes gaat naar Berlijn, Richard Meijer naar Haïti, Kiki Coumans is een tijdje in Parijs, Bianca Boer in Polen, Lucas Hüsgen: Duitsland, Fleur Bougogne: Argentinië, Robbert Welagen: Italië, Marnel Breure: India, Kristina Goikoetxea-Langarika: Zuid-Afrika. Het is de heerlijke nieuwe wereld van het schrijven. Iedereen overal naar toe, met het notitieboekje in de hand.

    Alleen blijft de vraag: waarom? Waarom worden Nederlandse schrijvers op kosten van het Fonds, van de overheid, van de samenleving naar al die landen gestuurd? Moet je ver weg om een goed verhaal te kunnen schrijven? Komt de inspiratie pas op de vulkaanstranden van Comera of Lipari op gang?

    Natuurlijk, er zitten vertalers bij de aanvragers, en biografen, die moeten soms gewoon ter plekke zijn om iets uit te zoeken. Maar het merendeel van de aanvragers is gewoon romancier die een verhaal verzint, een product van de verbeelding, zoals het zo mooi heet. Moet je per se naar Port au Prince of Montevideo om je verhaal tot leven te wekken? Of kun je met een paar bibliotheekboeken, een half dagje websurfen en veel fantasie en vernuft hetzelfde bereiken?

    Kritiek
    Bovendien zit er nog een heel venijnig addertje onder het gras. Als je een stelsel van reisbeurzen in leven roept waar schrijvers drie keer per jaar gebruik van kunnen maken, dan beweer je eigenlijk twee dingen. Allereerst dat pas in den vreemde verhalen worden geboren. Je moet weg om een goed verhaal te kunnen schrijven. In Nederland blijven is geen optie: daar kun je geen grote werkbeurs voor aanvragen. In de tweede plaats zeg je eigenlijk met deze beurs: Nederland is zelf te saai om romans en verhalen over te schrijven. Het landschap, de cultuur, de samenleving: je hebt er weinig aan als je literatuur wilt bedrijven.

    Zo gezien is het reisbeurzenstelsel van het Fonds voor de Letteren deep down kritiek op ons land, op onze literatuur, op ons landschap, op onze verhalen. Hier valt te weinig te halen. En dat is iets wat ik niet begrijp. Nederland is in mijn ogen een land vol drama’s, vol verhalen, met bijzondere landschappen en een roerige geschiedenis. Neem zo’n biografie van Cees Fasseur over de Greet Hofmans-affaire: groter drama is er niet. Bezoek het maïsveld bij de Maastrichtse wijk Amby en stel je voor hoe daar die Keltische goudschat uit de eerste eeuw voor Christus terecht kwam. Neem het verhaal van een Zeeuwse rietdekker, zoals Rinus Spruit met Zwieg stille deed, en schrijf over wat armoede met een mens doet.

    Drama genoeg. Verhalen genoeg. Je hoeft niet ver weg, zoals het Fonds aanbeveelt. Je kunt ook hier blijven. Al scheelt het je een flinke reisbeurs.

    - Louis Stiller