Humor
Humor
Hoofdredactioneel uit Schrijven Magazine 4 van 2009
Komt een schrijver bij de dokter…
Waarom ken ik zo weinig schrijversgrappen? Moppen over domme blondjes, Belgen, Friezen (Groninger van huis uit, vandaar) kan ik zo op een verjaardag uit mijn mouw schudden, maar grappen over schrijvers ken ik niet.
Natuurlijk wel de cartoons van Peter van Straaten die gebundeld werden in Scènes uit het literaire leven (man staat op het Spui, schreeuwt naar een man aan de andere kant van het plein: ‘Ik vond je vorige boek beter’), maar dat zijn beeldgrappen, in een specifieke omgeving: het literaire katern van Vrij Nederland.
Waarom bestaan er zo weinig schrijversmoppen? Met een clou en een galmende lach van het publiek op het eind? Zijn schrijvers te weinig stereotype, te weinig uitgesproken? Niet spannend genoeg?
Ik besloot op onderzoek te gaan en stuitte op een Engelstalige pagina met de titel ‘Jokes about Writing’. En ik geef toe: ik heb gelachen. Niet voortdurend, maar wel af en toe.
‘Een student komt bij zijn literatuurprofessor en zegt: “Ik wil zó graag schrijven. Ik wil zinnen en alinea’s maken die zo mooi, goed en belangrijk zijn dat de mensen er op een emotionele manier op kunnen reageren – ze mogen schreeuwen en huilen en in woede of razernij uitbarsten. Als er maar iets met ze gebeurt.” Die man werkt nu voor Microsoft – hij schrijft de foutboodschappen.’
Aardige mop. Maar niet over schrijven. Wel over Microsoft en softwareprogrammeurs. Daar is een heel oeuvre over.
Andere poging. ‘Een schrijver komt zijn straat ingereden, blijkt zijn hele huis te zijn afgebrand. Zijn vrouw, bloedend, beroet, loopt snikkend op hem af. “O Gerard, het was verschrikkelijk. Ik was aan het koken toen de telefoon ging. Je agent. Ik had niet door dat de oven in brand was gevlogen. Alles stond meteen in lichterlaaie, het hele huis, alles. En arme, arme Wodan…”
“Wacht, wacht, even kalm”, zegt de man. “Dus mijn agent belde?” ’
Is dit leuk? Mwah. Eerlijk gezegd: niet slecht. Maar gaat het over schrijven? Het zou over elk beroep kunnen gaan waar mensen niet meteen succes mee hebben. Kunstschilders, acteurs, uitvinders.
Komt een kunstschilder bij de dokter…
Er zijn van die zinnetjes die je begint maar waarvan je geen idee hebt of je ze ooit af zal kunnen maken.
Er was eens…
In een gat in de grond woonde een…
Jongens waren we, maar…
Alleen de grootste schrijvers onder ons weten zulke beginnetjes op grootse wijze af te maken. Groots omdat ze in die ene zin het hele verhaal samenvatten. Omdat in die ene zin alle verbeelding wordt gepompt.
Wat moet er in een gat in de grond wonen? Een konijn, een mol, een das? Maar wonen die? Het moet dus een soort mens zijn, maar welke mensen leven er nu onder de grond? Holbewoners? Vluchtelingen? Het werd een hobbit. Toen Tolkien dat ene woord had, begon er een wereld open te gaan. Een wereld van elfen, draken en magische ringen.
Elke eerste zin is Jongens waren we, maar aardige jongens. Door dat fraaie maar maakt Nescio er een tegenstelling van: jongens, maar toch aardig. Dat zet je meteen op scherp. Dus meestal zijn jongens niet aardig? Vandaaruit kun je van alles bedenken: het verhaal van mannen die lange tijd jongens blijven; van mannen die van zichzelf denken dat ze aardig zijn; mannen die lang idealen blijven koesteren. Dat moet natuurlijk fout gaan. En dat doet het ook, in Titaantjes. De kunstschilder Bavink wordt gek als hij beseft dat hij bijna datgene bereikt heeft wat hij altijd veracht heeft: een succesvol schilder zijn.
Daar is niets lolligs aan. En toch is het een van de grappigste en tegelijkertijd ontroerendste boeken die ik ken. Een lach en een traan, een snik en een glimlach. Een boek uit 1915 dat je al grinnikend kan laten treuren.
Schrijven en humor gaan blijkbaar wél samen – maar niet in grappen. Wel in mooie verhalen.

