Oude doos, nieuwe inzichten

    Oude doos, nieuwe inzichten

    Hoofdredactioneel uit Schrijven Magazine 3 van 2010

    Bernard Dewulf won zo’n drie weken geleden de Libris Literatuurprijs voor zijn boek Kleine dagen. In kranten en weekbladen, op blogs en sociale netwerken als Facebook was het de dagen erna één groot kippenhok: iedereen had er een mening over, de meeste negatief. Het verst ging Arjan Peters, die in zijn column in de Volkskrant gehakt maakte van Dewulfs prozaschetsen. ‘Deze collectie van binnenhuiskamerprozaminiaturen met een zoetigheidgraad die het glazuur van je gebit doet springen.’ Eat that, Librisjury.

    Deze lente de garage gesloopt, met broer Hans en buurman Eddie. Wie geen auto rijdt, heeft immers niets aan een kloek uitgevallen autoschuur. Waar zetten we de fietsen dan? In de gewone schuur, die is groot genoeg. Dan moeten we die wel even opruimen. En zo kwam de oude doos vol tijdschriften te voorschijn. Ze hadden de tand des tijds en de enigszins vochtige atmosfeer van de voormalige meubelwerkplaats nog maar net overleefd.
    De Sleur heette het literaire tijdschrift dat wij – een paar studenten Nederlands van de Rijksuniversiteit Groningen – in januari 1982 lieten verschijnen. De cover bijna helemaal zwart, dunne witte lijnen toonden vaag een patiënt in een ziekenhuisbed. Fijne donkere tijden waren het. Punk. Doem. No Future.

    28 jaar later kon ik ons tijdschrift eindelijk écht lezen. Want de eerste jaren na verschijning durfde ik mijn eigen adolescente weltschmerzteksten nauwelijks in te zien. En die van de anderen evenmin. Daar was ik blijkbaar zo bij betrokken geweest, dat ik ze niet goed kon lezen. Echt lezen.

    Nu wel. Met de bril van een buitenstaander herlas ik een avondje lang de gedichten, verhalen, essays en columns van Harm Edens (thans televisieschrijver), Gertjan van Schoonhoven (nu chef binnenland Elsevier) en J. Wagnermaz (de 17-jarige havo-scholier uit Alkmaar die zich later zou ontpoppen als Joost Zwagerman). En ook die van mijzelf. Het bleek allemaal nog niet zo slecht, en ook met die weltschmerz viel het wel mee. Natuurlijk, een klein deel van de ruim 500 pagina’s was tenenkrommend en lachwekkend (‘omringd door wandelende karkassen, word ik zelf karkas’), maar ik las ook een paar sterke verhalen, treffende gedichten en venijnige essays.

    Hoe lang duurt het voordat je je eigen werk weer kunt lezen? Sommige schrijvers kunnen dat hun hele leven niet. Anderen alleen als er een flinke tijd overheen is gegaan. Waarom is het zo moeilijk om je werk onbevangen te lezen – zeker als het in druk verschenen is? Omdat je waarschijnlijk je leeservaring niet los kunt koppelen van alle gedachten en gevoelens die rondom de tekst cirkelen: de twijfels en meningen, herinneringen en discussies. Lezen, zo blijkt maar weer eens, doe je nooit in een vacuüm.

    Vandaar dat het zo heerlijk is om af en toe een boek te lezen zonder dat je iets weet van de schrijver, van de omstandigheden waarin het boek is gemaakt, van alle fuss eromheen. Dat deed ik twee maanden geleden met de ‘novelle’ Kleine dagen van de mij volkomen onbekende Bernard Dewulf. Eerst begreep ik niet goed wat er gebeurde, moest ik me de taal en de stijl eigen maken. Maar toen ik daar eenmaal in zat, las ik de prozaschetsen over een man en zijn gezin, zijn zoontje en dochter, met meer aandacht en verwondering dan ik aanvankelijk had gedacht. ‘Wij zitten samen te kijken. Een wedstrijd van de grote jongens. Allemaal richting twee meter. Af en toe zegt hij: wow. Hij kijkt vooruit, ik kijk terug, nooit kijken wij gelijk. Zie je die nummer 4? Hij knikt. Zo was ík. Hij kijkt even op, dan naar nummer 4, kijkt terug en zegt niets. Hij ziet gewoon nummer 4, hij kon onmogelijk mij zien. Wij droegen kortere broeken en langere kousen, voeg ik toe. Hij glimlacht kort. Het lachwekkende van mijn onderneming. En het dwangmatige ervan.’

    Twee weken later stond Dewulf op de shortlist. Drie weken later kreeg hij de Libris Literatuurprijs 2010.
    Voortaan lees ik alleen nog maar recensies en besprekingen van critici die het boek vóór de nominatie hebben besproken. Ik wil fussloze, geen futloze, kritiek.