Veel schrijven
Veel schrijven
Hoofdredactioneel uit Schrijven Magazine 5 van 2007
God bewaar me! Dat zei Henk Kraima in het NRC Handelsblad toen hem voor werd gelegd dat een miljoen mensen in Nederland een boek willen schrijven. ‘God bewaar me!’ Kraima is niet zo maar iemand. Hij is al jaren directeur van de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek. Dit CPNB is bij de meeste mensen bekend van de Boekenweek, de Kinderboekenweek, de Maand van het Spannende Boek en, recentelijk, Manuscripta, de grote boekenmanifestatie in de Westergasfabriek in Amsterdam. De CPNB is groot en machtig, en een enorme factor in Nederland. Ze stimuleert het lezen, brengt uitgevers, schrijvers en lezers bij elkaar en maakt van boeken lezen en kopen een feestje.
Vandaar dat het me ook zo bevreemdde wat Kraima in het NRC – in een artikel waarvoor ik zelf ook geïnterviewd werd – beweerde. Denkt hij dat boeken door machines worden geschreven? Of dat het goed is dat een kleine elite aan schrijvers de prachtigste werken aan ons voorschotelt? Dat is een opvatting die niet in een Socialistische Heilstaat zou misstaan, waar de Bond van Schrijvers zou bepalen wie welke roman mocht schrijven en uitgeven. Dan moge God ons wel zeker bewaren, als dat zou gebeuren.
Het mooie van Nederland – en de rest van de vrije wereld – is dat iedereen hier mag schrijven en uitgeven. Sterker nog: dat is verankerd in de grondwet en een integraal onderdeel van onze cultuur en maatschappij. Nu geloof ik ten zeerste dat Henk Kraima een verstandig man is, met een scherpe geest en brede kijk op onze cultuur. Dus ik kan niet geloven dat hij in zo’n Sovjetmodel gelooft, laat staan in een zwakke afgeleide daarvan: een ivoren torenmodel van een kleine elite aan schrijvers die een miljoenenpubliek moet bedienen.
Kraima’s opmerking is alleen illustratief voor een gedachte die vaker in hogere kringen heerst: dat er eigenlijk te veel wordt geschreven. Dat al die weblogs, schrijfscholen en schrijfwedstrijden voor een tsunami aan slecht geschreven literair werk zorgen, één die zich nauwelijks meer laat indammen. Dat is een zonderlinge opvatting, want daaruit spreekt weinig vertrouwen voor al die instituten die de kwaliteit van dat literaire werk bepalen: recensenten, bibliotheken, uitgevers, redacteuren en literaire jury’s. Eigenlijk beweer je daarmee dat ze hun werk niet goed doen.
Dan kun je twee dingen doen: je bij de situatie neerleggen of nieuwe instituten bedenken om de kwaliteit beter te bewaken. Waarom lezen uitgeverijen bijvoorbeeld allemaal die enorme stapel manuscripten, die ook nog eens grotendeels dezelfde inhoud blijken te hebben? Is daar geen andere oplossing voor te bedenken? Moeten we daarom niet meer literaire agenten in Nederland hebben?
Het vele geschrijf lijkt me helemaal geen probleem. Het is een cultureel verschijnsel waar we alleen maar blij om kunnen zijn. Wie schrijft is niemand tot last, vervuilt de arme aardbol niet en geeft geen geluidsoverlast. Het enige wat je doet is een tekst produceren, die anderen eventueel kunnen lezen. Maar verplicht is dat niet. Een boek moet je nu eenmaal kopen, een weblog bezoeken en naar een open podium gaan is een eigen keuze. Daarvoor hoeft niemand je te bewaren, zelfs God niet.
Het probleem zit hem veel meer in het gevoel dat veel mensen hebben dat er steeds meer wordt geschreven en dat de kwaliteit ervan steeds minder wordt. Daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Zie ook mijn opmerkingen over De Vliegeraar in het vorige nummer. Maar als ik de stapels boeken zie die ik de afgelopen maanden gelezen heb, dan moet ik eerlijk zeggen dat ik toch regelmatig aangenaam verrast ben. Sophie Zijlstra’s Mevrouw Couperus bijvoorbeeld (het debuut van deze maand): goed geschreven, mooi onderwerp, knap gedaan. En ook van de kinderboeken die in het coververhaal staan, heb ik genoten, al is het niet mijn lievelingsgenre.
Eigenlijk, zo bedenk ik me wel eens, zou er niet minder, maar veel meer geschreven moeten worden. Ik ben er niet bang voor. En Onze Lieve Heer volgens mij ook niet.
- Louis Stiller

