Reisschrijven

Schrijfoefeningen - Reisschrijven

Van reizen komt schrijven. Maar hoe kun je uit die veelheid van indrukken een literair verhaal schrijven?

Deel 1: De spieren los

‘Ik ben ook helemaal niet zo’n reiziger,’ zei Adriaan van Dis ooit. ‘Ik ga wel naar vreemden landen toe, maar alleen omdat het me brengt in die samenval van culturen, van het traditionele en het nieuwe. Dat inspireert me.’ Zoveel hoofden, zoveel zinnen, ook bij het reisschrijven. Reizen leidt vaak tot schrijven – allereerst natuurlijk van dagboeken, maar ook van notities, bijschriften bij foto’s, en e-mails uit den verre. Veel van dat materiaal is niet geschikt voor een publiek, en zeker niet om er literatuur van te maken. Daarvoor zijn technieken en inzichten nodig. Belangrijkste vraag: wat voor reisverhalen lees je zelf het liefst? Wat is de essentie ervan? Wat voor technieken worden er gebruikt?

Oefening:

Maak je spieren los met de volgende oefening. Schrijf een persoonlijk verhaal bij het horen van de volgende termen: bagage, hotel, schaduw, vertraging, reisgezelschap, aankomst. Beschrijf niet alleen je gevoel en je herinneringen, maar probeer ook een idee over te brengen, een visie.


Deel 2: Zoek de rode draad

Een reisverhaal is een verhaal dat handelt over een reis. De handeling is gegeven: er wordt gereisd. Maar daaronder schuilt een myriade aan mogelijkheden. Natuurlijk moet het verhaal ogen alsof het echt gebeurd is, maar belangrijker nog is dat het een creatieve navertelling van een reis is. Reisverhalen zijn vertalingen van ervaringen in een literaire vorm. Zonder plot is een verhaal immers oeverloos en niet te volgen. Het eerste wat we dus moeten hebben is een intrige, een rode draad.

Oefening:

Nodig iemand uit die graag en veel leest. Leg nu je ideëen over je reisverhaal, het onderwerp en je doelstellingen aan hem of haar voor. Neem daar maar een paar minuten voor – je moet je lezer in korte tijd kunnen overtijgen. Bereid dit gesprek goed voor, besef wat de rode draad in je verhaal is, en bedenk wat je zou willen bereiken. Laat vervolgens je gesprekspartner aan het woord: wat vindt hij/zij ervan, wat voor vragen liggen er nog. Luister goed naar de vragen: blijkbaar zijn dat de punten waar je nog niet genoeg over hebt nagedacht.


Deel 3: Begin, midden, einde

Zintuigelijke ervaringen scheppen de reis. Als je op een vliegveld landt, ruik je de kamperfoelie of de sloppenwijken, zie je de zindering van de zon op het asfalt, hoor je het getsjirp van de krekels. Die indrukken kun je gebruiken om je verhaal reliëf te geven. Belangrijk daarbij is dat je deze ervaringen zo specifiek mogelijk moet leren omschrijven. Dus niet: de lunch kostte vrijwel niets, maar: voor de lunch kun je in Nederland nog geen kopje koffie kopen. Maak vergelijkingen, gebruik plaatselijke woorden, maak het zo levendig mogelijk. Vergeet daarbij niet dat elke beschrijving in dienst van het verhaal moet staan. Pas als de ervaring de intrige ondersteunt krijgt ze meerwaarde.

Oefening:

Schrijf kort, in een aantal alinea’s allereerst het moment van vertrek – dat kan thuis zijn, in de stationshal of op het vliegveld. Beschrijf wat er door je heen ging, wat je verwachtingen waren; laat doorschemeren (show, don’t tell) wat het eigenlijke doel is van je reis. Doe hetzelfde vervolgens met de aankomst. Leg de twee versies naast elkaar en kijk wat verhaal er op doemt. Schrijf de rest van het verhaal in twee of drie alinea’s af door je te concentreren op de belangrijkste gebeurtenis, die bij het thema van vertrek en aankomst past.


Deel 4: Reizen in jezelf

Een reis is niet alleen een reis naar elders, maar ook een reis naar het verleden en vooral een reis in het eigen ik. Een reis wordt zo een zoektocht naar betekenis. Zoek daarom altijd de verbanden tussen een reis en je eigen verleden, je eigen ervaringen. Vraag je bij alle potentiële reisverhalen af waarom dit zo belangrijk voor je was. Probeer de belangrijkste reiservaringen op deze manier te koppelen aan de eigen geschiedenis. Die persoonlijke geschiedenis hoeft niet expliciet aan de orde te komen (vaak: liever niet), maar kan wel een belangrijke onderstroom in het verhaal vormen.

Oefening:

Duik in je herinnering, zonder gebruik te maken van dagboeken of foto’s. Beschrijf een plek waar je onderweg ooit kwam, die je levendig voor ogen staat: een park, een haven, een kerkplein. Beschrijf deze plek met behulp van al je zintuigen, en doe dat zo uitgebreid mogelijk. Leg deze versie weg en maak een tweede tekst, waarbij je je voornamelijk concentreert op enkele details – het liefst essentiële, significante details, die voor iets groters staan: de plek, een idee, je gevoel destijds. Maak nu een veel kortere tekst, waarin je de plek beschrijft aan de hand van dat ene detail. Maak in het laatste geval gebruik van de kracht van suggestie. Lees de teksten voor aan een publiek en kijk naar hun reacties.


Deel 5: Weet waar je naar toe gaat

Voor elk reisverhaal heb je een vorm nodig. Wordt het een artikel, een verhaal, een dagboek, brief, een gedicht of een essay? De vorm bepaalt voor een groot deel wat en hoe je gaat schrijven. Vervolgens moet je voor jezelf een structuur bedenken. Houd je je aan het klassieke begin-midden-einde, of kies je voor een afwijkende of complexere structuur? Wat zijn je hoofdthema’s, wat is de samenhang tussen de verschillende onderdelen? Hoe beter je weet waar je verhaal naar toe gaat, hoe strakker je keuzes.

Oefening:

Denk aan je reizen en bedenk welke reis een verhaal bevatte. Dat kan in een detail schuilen: een sombere ober op een terrasje in Portugal, de plotselinge gedachte in een kerk in Umbrië. Bestudeer het materiaal uit die tijd (dagboeken, foto’s) en werk het geheel uit in de derdepersoon (hij/zij i.p.v. ik). Schrijf het verhaal in de tegenwoordige tijd. Bepaal van tevoren ook welke sfeer en stemming je verhaal moet hebben, het liefst een beetje afwijkend van de clichés (zakelijk in plaats van bloemrijk, humoristische i.p.v. tragisch). Schrijf het verhaal uit, lees het en kijk naar het effect.


Deel 6: De oude hond op het plein

Veel reisverhalen gaan mank aan één ding: de verteller. Ze zijn te dicht op je eigen huid geschreven. Veel van deze ik-verhalen (vaak ook nog in de verleden tijd) dienen meer als herinnering voor de schrijver zelf, dan als geslaagde literaire vorm die ook nog geschikt is om door anderen gelezen te worden. Bedenk daarom goed of er ook nog andere methoden zijn om je verhaal te vertellen. Kies een vorm en een stijl die het voor jezelf mogelijk maken om met nieuwe ogen naar oude reisgebeurtenissen te kijken. Lees verhalen van Hemmingway, Greene, Lieve Joris of Adriaan van Dis en kijk hoe zij hun reiservaringen om hebben gezet in literatuur.

Oefening:

Neem een van de verhalen die je in de voorgaande oefeningen hebt geschreven, en werk deze om vanuit een ander perspectief. Laat de verteller van het verhaal een toeschouwer zijn, een kind, een hond op het plein, de ober zelf. Bedenk goed hoe deze ‘ander’ naar de intrige zal kijken, hoe hij de situatie beleeft. Probeer er achter te komen wat dit nieuwe perspectief zou kunnen opleveren. Hoe maakt het ‘t verhaal dieper, waardevoller? Kies voor het beste perspectief en werk het verhaal uit.


Heb je een tip voor een onderwerp van een schrijfoefening? Stuur dan een mailtje hier.