Vierkante millimeter
Schrijfoefeningen - Vierkante millimeter
Goed schrijven betekent ook goed schrijven op microniveau – de punten en komma’s, maar ook de werkwoorden, de clichés en de feiten. Fijnschaven is te leren, in zes lessen.
Deel 1: Afdalen naar microniveau
Schrijven is een kunst en een kunde – zowel op de allerhoogste niveaus van thematiek, plot en ideologie, als op het niveau van de komma’s en de werkwoordsvormen. Dit laatste onderdeel – het microniveau van de tekst – lijkt vaak een kwestie van eindredactie, maar is het uiteindelijk niet. Jij bent als schrijver zélf verantwoordelijk voor elk onderdeel van je tekst. Bovendien betekent ook op dit niveau elk woord, elke stijlvorm zeer veel. Leg de bloemrijke stijl van Hugo Claus maar eens naast de karige, uitgebeende teksten van Gerrit Krol. Zelfs het gebruik van komma’s, uitroeptekens en witregels kan de sfeer, de betekenis en de werking van je tekst verbeteren of verzwakken.
Oefening:
Neem een tekst die je recentelijk geschreven hebt en neem daar een alinea uit. Bestudeer die nu zeer intensief. Kun je nog achterhalen waarom je voor deze vorm koos, voor deze woorden, voor deze zinnen? Zou het anders kunnen? Herken je iets van een eigen stijl, een eigen toon? Wijs aan waar je eventueel nog aan zou kunnen werken. Onderstreep de woorden en passages waar je over twijfelt.
Deel 2: Spel!
Het eerste waar lezers altijd over vallen (nee, niet overvallen, maar óver vallen), is spelling: hoe zijn de woorden geschreven. Schrijf je nog altijd vacantie met een c, hysteries met –ies, of schrijf je ff in plaats van even, dan is meteen duidelijk uit welke tijd je stamt. Wees je daarvan bewust. Je kunt er ook gebruik van maken, door je personages zulke tijdsbepalende spellingen te laten schrijven.
Ergerlijker wordt het wanneer je bij voortduring foutgespelde woorden gebruikt in je uiteindelijke tekst. Lezers ergeren zich aan ‘intervieuw’, ‘werdt’ en ‘begravenis’ (zomaar wat voorbeelden uit recente teksten die binnenkwamen bij Club Schrijven). En als lezers zich ergeren, verliezen ze de interesse in je tekst, in je verhaal, je ideëen.
Oefening:
Ga terug naar je geselecteerde alinea, met alle aantekeningen en onderstrepingen. Zoek van elk twijfelgeval de juiste spelling op. Gebruik niet alleen de spellingcontrole van je tekstverwerker, maar gebruik in ieder geval het Groene Boekje. Kijk ook nog even in de Van Dale of een ander woordenboek naar de achtergronden van deze woorden – zijn ze mannelijk, vrouwelijk, zijn het zwakke of sterke werkwoorden, hoe gebruik je ze het best? Gebruik bij uitdrukkingen en spreekwoorden een apart spreekwoordenboek en probeer te achterhalen of je de uitdrukking op de juiste manier hebt gebruikt.
Deel 3: Invalide portier
‘De portier is een invalide’, luidt de beroemde openingszin van de roman ‘Nooit meer slapen’ van Willem Frederik Hermans. Veel is er gezegd over deze regel. Waarom bijvoorbeeld niet: ‘De portier was een invalide’ of ‘De portier bleek een invalide’, laat staan ‘De portier is invalide’. Elke verandering betekent een wezensgrote verandering, als je er goed over nadenkt. Door alles in de tegenwoordige tijd te schrijven, houdt Hermans je gevangen in het heden – net zo gevangen als de hoofdpersoon in z’n gedachten. En blijken is iets anders dan zijn. "De portier waarvan hier sprake is," zei Hermans zelf ooit. "opent de romanwereld voor de lezer en dat hij een invalide is, voorspelt niets goeds. Dit preludeert immers op de telkens weerkerende bange vraag van de hoofdpersoon, of hij het avontuur waaraan hij is begonnen, wel heelhuids tot een goed einde zal brengen."
Oefening:
Ga terug naar je tekst en concentreer je op de werkwoorden. Welke tijd gebruik je in je tekst: ott, vtt, ovt, vvt? Heb, had, heb gehad, had gehad? Speel met de tijden, pas een paar zinnen aan en kijk wat zo’n werkwoordstijd doet. Maakt het je tekst sneller of juist bedaagder? Geef je je lezer kans om te ontsnappen of wil je hem juist gevangen houden? Lees twee varianten voor – eerst aan jezelf, daarna aan een schrijfmaatje of een toevallige passant. Wat leer je hieruit?
Deel 4: Clichés
‘We gaan op weg. De weergoden zijn ons goed gezind. Vergezeld door een waterig zonnetje besluiten we onze beenspieren eens lekker los te gooien.’ Zomaar een paar zinnen uit een reisverhaal. Joop ter Heul, de vijf detectives – je zit meteen in de sfeer van dolle meiden die een dagje uit wandelen gaan. Als je dat wilt, is het goed getroffen. Als je echt een eigen tekst wil maken, moet je natuurlijk Clichés als ‘weergoden zijn ons goed gezind’ ‘beenspieren losgooien’ en ‘waterig zonnetje’ zien te vermijden.
Veel van ons spraakgebruik bestaat uit Clichés: voetballers die tegen zichzelf voetballen, regeren is vooruitzien en hoge bomen vangen veel wind. Vaak zijn deze vaste uitdrukkingen noodzakelijk, soms kun je ze vermijden. Doe dat niet té nadrukkelijk. Als je schrijft dat regeren vooruitkijken is, in plaats van vooruitzien, benadruk je juist dat je een cliché omzeilt. Maar in plaats van ‘De weergoden zijn ons goed gezind’ kun je best schrijven dat het prachtig weer is, met enorme wolkenlandschappen onder een blauwe hemel. Beter zintuigelijk omschrijven dan een vaste uitdrukking gebruiken.
Oefening:
Ga naar je tekst (of een andere zelfgeschreven alinea die je selecteert) en zoek zoveel mogelijk clichés en staande uitdrukkingen. Staan ze er met een doel? Wat is hun functie? Zijn ze te vermijden, is er een alternatief? Probeer in de gaten te houden dat je je lezer zoveel mogelijk probeert in je tekst te trekken, te doen geloven wat er in je verbeelding gebeurt – daar passen zintuigelijke ervaringen beter bij dan vaste uitdrukkingen en clichés.
Deel 5: Grote woorden
Een woordenboek is een raar instrument. Er staat een woord, en daarachter staat er nog één, soms een paar. Het ene is het andere. Stoel is zitmeubel, tak is deel van een boom, betweterig is arrogant. Hoe kan het een precies het andere zijn? Dat kan ook niet: elk woord heeft z’n eigen plek. Het woord ‘brood’ betekent in de katholieke hoogmis iets heel anders dan het woord ‘brood’ bij de ontbijttafel. Klaverboer is niet zo maar een kaart bij het klaverjassen.
Eén van de grootste dompers bij het schrijven van teksten – vooral poëzie – is het gebruik van de verkeerde woorden. Vaak zijn dit te grote woorden. Eenzaamheid moet je laten voelen, zonder het woord zélf te gebruiken. Een prachtig gedicht over een vervallen boerderij wordt om zeep geholpen door het woord ‘vergankelijkheid’ in de laatste zin. Dat woord werd al opgeroepen in het hoofd van de lezer, dat hoef je niet meer te gebruiken. Sterker nog: het steekt een speld in het ballonnetje dat je net zo zorgvuldig in het hoofd van de lezer had opgeblazen.
Oefening:
Ga naar je tekst en kijk of je grote woorden kunt vermijden. Wanneer benoem je iets, terwijl je het had willen beschrijven? Verdriet, eenzaamheid, pijn, vergankelijkheid, bezorgdheid, angst – de grote emoties laten zich niet in één simpel woordje vangen. Kijk wat je aan zulke grote woorden kunt doen, hoe je ze kunt oproepen, vaak door gebruik te maken van zintuigelijke ervaringen. Eenzaamheid is een groot, nietszeggend woord, maar in de Avonden wordt dat bijna existentiële alleen-zijn in vrijwel pagina opgeroepen, zonder het woord eenzaamheid te gebruiken. Kijk of je dat ook kunt, met jouw tekst.
Deel 6: Feit is dat feit is
In de prachtige roman ‘Bright lights, big city’ van Jay McInerney is de hoofdrolspeler een factchecker van het beroemde tijdschrift ‘The New Yorker’. Feiten controleren is een beroep. Tegelijkertijd zul je als schrijver zélf je feiten goed op een rijtje moeten hebben. Een fijnzinnig criticus wees Marcel Möring erop dat het in de openingsscène van zijn roman ‘In Babylon’ sneeuwt, terwijl het ruim twintig graden onder nul is. Dat kan niet: het sneeuwt als de temperaturen rond het vriespunt schommelen. Als je als lezer al niet over deze hobbel op de eerste pagina kunt komen, hoe moet je dan de rest van dit verbeeldingsbrouwsel tot je nemen?
Feitencontrole betekent niet alleen encyclopedieën raadplegen. Je moet ook je eigen feiten controleren. Is kamer 314, zoals je die in hoofdstuk 1 gebruikt, nog steeds kamer 314, of heb je er in hoofdstuk 8 kamer 341 van gemaakt? Foutje, weg lezer. En je hoofdpersoon had toch groene ogen?
Oefening:
Ga terug naar je geselecteerde alinea(s). Controleer de feiten – in de encyclopedie, maar ook in je hoofd, en op papier. Wat betekent een haar- of oogkleur, kan iemand in vijf minuten van Amsterdam CS naar het spui wandelen? Bedenk je bij alle passages of het klopt – zowel in je verbeelding als in de werkelijkheid. Zorg dat je constructie nergens fouten vertoont: je lezer is anders zo weer weg.
Herschrijf je tekst en maak er iets moois, solides, eigens en prachtigs van.
Heb je een tip voor een onderwerp van een schrijfoefening? Stuur dan een mailtje hier.

