Start » Oefening » Kinderboeken schrijven

Kinderboeken schrijven

Is het schrijven van een kinderboeken anders dan het schrijven van boeken voor volwassenen? Eigenlijk niet, zo betogen de meeste kinderboekenschrijvers. Je hebt alleen een ander publiek. Jonger, levendiger, ongeduriger, fantasierijker. Allemaal elementen waar je rekening mee moet houden als kinder- en jeugdboeken maakt.

Deel 1: Volwassenen voor kinderen

Oom Tom is een negerslaaf. Hij werkt op een plantage. Van een meneer Shelby. Een goed mens, vindt Tom. Maar Shelby komt in de problemen, en Tom moet verkocht worden – aan een gemene slavenhandelaar, Haley. Die zet hem op de boot naar Zuid-Amerika. Nu begint de ellende pas goed, voor Tom.
Als je het zo leest, zou je het geen kind meer aanraden. Toch is De negerhut van Oom Tom nog altijd een klassieker onder de kinderboeken. Het geeft twee dingen aan. Allereerst: ‘zware onderwerpen’ hoef je niet te vermijden in kinderboeken – het gaat er alleen om hóe je zo opschrijft. Ten tweede: de hoofdpersoon van een kinderboek hoeft helemaal geen kind te zijn. Kinderen kunnen ook schateren om de maffe tovenaar Catweazle of de gekke ridder Don Quichotte.

Maar bedenk bij alles: kinderboeken worden bijna altijd geschreven door volwassenen. Niet door kinderen zelf. Die kloof zul je dus altijd moeten overbruggen.

Oefening:

  • Wat vond jezelf toen je kind was fascinerende personen in je eigen omgeving?
  • Waarom vond je die zo boeiend?
  • Hoe zou je een kinderboek/verhaal rond deze persoon kunnen schrijven?


Deel 2: Pel jezelf af

Kinderboeken hóeven niet over kinderen te gaan. Maar je moet wel vanuit het kind kunnen schrijven. Niet op de knieën, maar wel vanuit het perspectief, de belangstelling en de open blik van het kind. En die blik ken je, want die heb je vroeger zelf ook gehad. En misschien heb je die nog steeds wel. Breng die in stelling. Pel de laagjes van je volwassen bestaan.
Recensente Bregje Boonstra: “Ik heb net een boek gelezen, over een boos meisje van een jaar of dertien dat zo graag een kind wil, omdat dat de lieve kanten in haar naar boven brengt. Ze gaat op zoek naar zaadjes. Je zou kunnen zeggen dat het over deze tijd gaat, over tienerzwangerschap, en het verhaal is goed en geestig geschreven, maar het is niet geloofwaardig. Het meisje denkt schrijversdingen, je hoort de auteur er dwars doorheen.’
Ga dus in de leer. Bij kinderen. Kijk hoe ze kijken, waar ze mee praten, wat ze doen. Zie hoe een kleuter met een kapstok kan praten, en hoe een achtjarige een bank in een boot weet om te toveren.

Oefening:

  • Observeer een kind in je omgeving.
  • Kijk hoe het kijkt, waar het naar kijkt, waardoor het afgeleid wordt, waarop het zich concentreert.
  • Probeer te analyseren: waar kijkt het kind naar, wat boeit hem. Wat boeit hem totaal niet wat jou als volwassene wel boeit.
  • Schrijf een kort verhaaltje over de tegenstelling tussen hoe het kind kijkt en hoe een volwassene kijkt.


Deel 3: Het ene kind en het andere

Het grote punt bij kinderen is dat ze allemaal zoveel verschillen. Meisjes van drie hebben een heel andere belevingswereld dan jongetjes van veertien. En het verschil tussen een vijf- en achtjarige is soms gigantisch. Wat taalvermogen betreft natuurlijk, maar ook qua perspectief, wereldwijsheid en perspectief. Waar heksen en tovenaars voor de een nog wezens zijn die voor nachtmerries zorgen, zijn het voor anderen maatjes uit een andere wereld.

Oefening:

  • Kijk naar kinderen en jongeren van verschillende leeftijden.
  • Observeer gedrag en spel, luister naar gesprekken. Noteer de verschillen.
  • Kun je een indeling in leeftijdsgroepen maken?
  • Hoe zien die grappen eruit?
  • Welk gedrag zie je?
  • Wat zijn hun interesses?
  • Hoe kijken ze naar de wereld?
  • Schrijf nu een verhaal vanuit twee groepen kinderen. Het eerste speciaal voor kleine kinderen, het tweede voor wat ouderen. Kies een onderwerp, en twee dezelfde personages, bijvoorbeeld twee broertjes of zusjes, de een van een jaar of vijf, de ander acht of negen.


Deel 4: Eigen gevoel

Geen onderwerp, geen thema hoef je uit de weg te gaan in kinderboeken, zoals gezegd. Dood, ziekte, ontvoering, seksueel geweld – als je de gemiddelde bibliotheek binnenloopt, zie je het hele jeugdwelzijnswerk voorbij komt. Het gaat dus ook niet om het zoeken naar specifieke kinder- of jeugdonderwerpen (pony’s! games!), maar om de vraag: hoe kan ik dit onderwerp voor deze lezersgroep openen? Hoe kan ik hierover een verhaal vertellen dat hen zal fascineren en beroeren?
Een zesjarige heeft geen boodschap aan zware echtscheidingsverhalen, maar zal zich heel wat kunnen voorstellen bij twee jonge hondjes die van elkaar gescheiden worden (maar natuurlijk uiteindelijk toch wel weer bij elkaar komen). Elk idee, elk thema kun je kneden naar het bevattingsvermogen en het verlangen van je lezersgroep.
Een van de belangrijkst ingrediënten daarbij is emotie. Blijf daarom in het verhaal dicht bij je eigen emoties. En het liefst bij de oeremoties van toen je zelf nog kind was. Wat hield je toen bezig? Waar was je toen kapot van? Hoe kun je dat gebruiken voor een verhaal?

Oefening:

  • Maak lijstjes met emoties-van-toen
  • Een lijstje boos, een lijstje verdrietig, een lijstje blij, een lijstje angstig: waar was je precies boos, blij, verdrietig, bang voor? Waardoor kwam dat?
  • Kies uit elk lijstje een voorval waarvan je denkt dat het kinderen van nu nog zou kunnen aanspreken.
  • Voor welke leeftijd zou dit geschikt zijn?
  • Maak een verhaalopzet. Wie moet de hoofdpersoon zijn? Waar moet het spelen, wat is de setting? Wie spelen er nog meer in? Wat is de climax van je stuk?
  • Concentreer je nu vooral op het conflict. Wat is het grootste probleem van je hoofdpersoon. Waarom is hij boos, verdrietig, blij of bang?


Deel 5: Simpel en fijnzinnig

Voor kinderen moet je simpel schrijven, is een van de grootste misvattingen die er over kinderboeken heerst. Een eenvoudig verhaal, in eenvoudige taal, met een eenduidig conlict en een glasheldere hoofdpersoon.
Een beter recept voor een mislukt kinder- of jeugdboek is er bijna niet.
Om een goed kinderboek te schrijven moet je juist het omgekeerde doen. Je moet het thema, je personage en je thema in al zijn schakeringen laten zien. Alleen wel in een taal en een perspectief dat kinderen begrijpen. Dat een personage boos en blij tegelijkertijd kan zijn (denk aan Pippi Langkous) of verdrietig en opgelucht, is heel goed te begrijpen. En dat er voor elk probleem niet altijd maar 1 oplossing is, is juist goed om te laten zien. Schrik er niet voor om een tweede laag in je verhaal in te brengen, als die van belang is.
Bedenk tegelijkertijd hoe je deze fijnzinnigheid en veellagigheid goed en sterk kunt overbrengen. Wat is de meest geschikte verteller? Hoe ziet je structuur eruit?

Oefening:

  • Kleur je personage in: wat drijft hem of haar? Wat zijn z’n frustraties? Waar wordt hij of zij boos over? Waarmee raak je hem echt? Wat is er tegenstrijdig aan hem?
  • Breng je personage in een paar situaties – hoe reageert hij daarop? Waarom?
  • Bedenk nu een einde van je verhaal. Hoe moet het uiteindelijk aflopen?
  • Bedenk ook drie andere manieren waarop het verhaal kan eindigen.


Deel 6: Ontdekkingsreis

Schrijven is een ontdekkingsreis. En zo is het lezen ook. Vaste verhaalformules zijn aardig voor jongere kinderen, maar al snel vervelen ze de ouderen. Zorg dus voor afwisseling, voor onverwachte wendingen. Stippel dus een parcours in je verhaal uit dat grillig is, dat tegen de verwachtingen in werkt. Laat je personage dingen doen, die de lezer misschien niet helemaal verwacht.
Bedenk een globale verhaallijn die loopt naar een échte crisis: het moment waarop het lijkt dat je hoofdpersonage ten onder gaat – op welke manier dan ook. Op dat moment neemt het verhaal een wending. Een onverwachte wending.
Bedenk hoe die tot stand kan komen. Hoe kan dat onmogelijk gedachte probleem worden opgelost?
Welke keuze je ook maakt, de wending dient een gevolg te zijn van alles wat voorafgaat in het verhaal. Toeval mag geen rol spelen in je verhaal.
Als je weet hoe je naar de crisis kunt komen, en hoe je er weer vandaan kunt komen, kun je bedenken hoe je je verhaal gaat componeren. Wanneer vertel je wat? Laat in ieder geval je kinderen op hun reis niet verdwalen in de doolhof van in elkaar verstrengelde verhaallijnen of flashbacks. Houd het overzichtelijk – voor jezelf en voor je lezers.

Oefening:

  • Ontwikkel een structuur voor je verhaal.
  • Wie vertelt het verhaal?
  • Wat is de crisis?
  • Hoe slingert de weg naar de crisis?
  • Wat brengt de redding?
  • Wat leert je hoofdpersoon?
  • Hoe keert hij terug?
  • Schrijf nu je verhaal uit
  • Lees voor aan je doelgroep. Houd scherp bij hoe ze reageren.


Meer schrijfoefeningen...

Heb je een tip voor een onderwerp van een schrijfoefening? Stuur dan een mailtje hier.

Jouw kidlit laten bespreken in Schrijven Magazine?

Stuur het in voor Tekstuur Kidlit! Meer informatie vind je in Schrijven Magazine.

Word nu abonnee!
Volg Schrijven Online op Twitter!

Volg Schrijven Online op Twitter!

Volg ons!
Lees hier hoe het werkt!

en krijg zelf een cadeau!

Lees hier hoe het werkt!
Geef Schrijven Magazine cadeau! (Beeld: SXC)

Geef Schrijven Magazine cadeau!
(en krijg zelf ook een presentje) 

Bestel nu!