Kinderen en poƫzie

    in

    Schrijfoefeningen - Kinderen en poƫzie

    'Zinnenverzinzin' was het thema van de afgelopen Kinderboekenweek (1-11 oktober). Het gedicht van Joke van Leeuwen, waar dit woord uitkwam, zorgde voor veel inspiratie onder oud en jong. Voor wie het zelf eens wil proberen hier een reeks dichtoefeningen voor kinderen van 7 tot 107 jaar.

    Deel 1: Bokje-over

    Poƫzie maken is moeilijk, dichten is makkelijk. Een van de eenvoudigste is bokje-over. Je kent het spel wel. Iemand gaat staan, hurkt, de ander springt erover heen. Bukt zich ook, zodat de eerste er weer overheen kan springen. En zo voorts. Nog leuker: met een hele groep bokje over.

    Zinspringen
    Bokje over kun je ook met zinnen doen. Kijk maar naar dit gedicht.

    Op de kar staat een boer
    Hij heeft zin aan een wortel
    Voor de kar loopt het paard
    Met een pet in zijn hand

    Blijkbaar zijn de zinnen gesprongen, daarom krijg je zo'n grappig effect.

    Oefening:

    Schrijf een bokje-over.

    Begin met een plek, waar iets kan gebeuren. Zoals: Thuis. Op het voetbalveld. Op straat. In de klas.
    Zet op de volgende twee regels 'die' (of dat).
    Eindig met weer een plek.

    Bijvoorbeeld:
    Op het voetbalveld
    die
    die
    Langs de sloot

    Zo kom je op:

    Op het voetbalveld staat een doel
    die houdt de ballen tegen
    die heeft ijzeren palen
    Langs de sloot groeit een graspol

    Nu ga je bokje-springen met deze tekst. Je verschuift een die-regel naar elders

    Op het voetbalveld staat een doel
    die houdt de ballen tegen
    Langs de sloot groeit een graspol
    die heeft ijzeren palen

    (Je weet natuurlijk wel dat het is: de graspol die en het gras dat, verbeter het waar mogelijk).

    Zo krijg je allerlei leuke combinaties.

    Hoe langer je je gedicht maakt, hoe leuker het resultaat!


    Deel 2: Verder puzzelen

    Dan zijn we er nog niet, want je kunt ook op allerlei andere manieren zinnen laten springen en dansen. Schrijf bijvoorbeeld een paar zinnen achter elkaar, die samen een logisch verhaal vormen. Hussel ze dan een beetje door elkaar en zie hoe dat werkt.

    Ik was op de kermis
    Met mijn twee vrienden Wim en Jerry
    Die hadden ook veel zin
    Toen gingen we naar de snoeptent
    Maar ik had helemaal geen geld bij me
    Wel een zakdoek vol met snot

    Hussel ze maar eens door elkaar:

    Toen gingen we naar de snoeptent
    Ik was op de kermis
    Maar ik had helemaal geen geld bij me
    Wel een zakdoek vol met snot
    Met mijn twee vrienden Wim en Jerry
    Die hadden ook veel zin

    Oefening:

    Schrijf een klein verhaaltje. Zet alle zinnen los achter elkaar. Knip ze nu los met een schaar. Zet ze net zo lang achter elkaar tot je een leuk of grappig gedicht krijgt. Een beetje smokkelen mag ook: her en der een klein woordje aanpassen mag altijd.


    Deel 3: Liefje mijn liefje

    Ach de liefde. We zijn allemaal wel eens verliefd. Maar hoe vertel je het de ander?
    Door een gedicht te schrijven natuurlijk, domkop! Een mooi gedicht over hoe mooi zij is, of hoe stoer hij wel niet is, en hoe prachtig zijn fiets staat te glimmen in de regen. (Verliefde mensen doen rare dingen, vergeet dat niet!)

    We beginnen deze oefening met een naam. Want de naam van je geliefde doet je al blozen. Als je zus of broer die naam tijdens het eten durft te zeggen, krijg je het warm (je krijgt ze nog wel, als zij verliefd zijn!)

    Begin dus met de naam van je (ver)liefje.
    Zet de letters nu los en maak van alle letters een woord.
    Probeer de woorden samen iets te laten zeggen.

    Meisje Altijd Aardig In Klaslokaal Eerstejaar
    Maaike

    Hij Ernstig Nooit Kinderachtig
    Henk

    Oefening:

    Maak nu zelf een naamgedicht.
    Maak er iets moois van.
    Probeer dan ook met de achternaam erbij.
    Moeilijk!


    Deel 4: Geheimtaal

    Hoe mooi je ook kunt liefdesdichten je moet altijd oppassen dat je gedicht niet in de verkeerde handen valt. Voor je het weet gaan de stoere gasten uit je klas er mee vandoor en hangen je prachtgedicht in het fietsenhok.

    Een beetje geheimschrift is daarom wel goed. Dat kunnen die figuren toch niet lezen, de dombo's!
    We gaan weer uit van de naam van je geliefde. Maar nu schrijven we een hele zin, of een verhaaltje en zetten hoofdletters op rare plekken. Voor Jasmina kun je bijvoorbeeld dichten.

    altiJd AlS ik Met je meeloop In de rij kaN ik mijn ogen niet van je Afhouden.

    Over wie zou dat gaan?
    Zet alle hoofdletters maar eens achter elkaar.

    Oefening:

    Maak nu een mooie zin, of een paar mooie zinnen en kijk of je de naam van je liefje in hoofdletters aan kunt geven.
    Kan het ook korter? Ga op zoek naar de kortste zin!


    Deel 5: Een heel gedicht

    Maar is dit een gedicht? Tja, wat is een gedicht?
    Iets korts, iets met klank. Iets wat je doet nadenken.
    Je weet wel wat een gedicht niet is.
    Iets saais. Iets doms. Iets waar je je schouders over ophaalt.

    Wat we nu gaan doen is je zinnetje uit de vorige oefening tot een echt gedicht maken. Daarvoor maken we hem iets groter, iets bijzonderderder. Met leuke vondsten, en grappige klanken.

    altiJd AlS ik
    Ik van hiernaast
    Ik van hierachter
    Ik van hiervoor

    Altijd als ik
    Met je meeloop

    In de rij
    De lange lange rij
    zo op straat
    in de maat

    Kijk uit, zeggen ze,
    En zelfs dan
    kaN ik
    kaN ik mijn ogen
    niet van je Afhouden.

    Zie je hoe makkelijk. Een beetje herhalen, wat uitbreiden, soms een beetje rijm.
    Alles kan.
    Als je maar dichten kan.

    Oefening:

    Maak van je zin uit je vorige oefening een heel gedicht.
    Werk met herhalingen.
    Werk met klanken die je herhaalt (piet piraat piekert, pan, jan, man)
    Puzzel, schrap en schrijf tot je iets prachtigs hebt.


    Deel 6: Zelf een dier maken

    Tot slot van deze oefeningenserie gaan we een heel dier maken.
    Want dat kunnen dichters.
    In een handomdraai een dier maken. Een nieuw dier.

    Begin met het opschrijven van een dier dat je heel erg bijzonder vindt. Geen gewoon dier, zoals een kat of een hond, maar een krokodil of een pandabeer. Iets groots of kleins, als het maar bijzonder is.

    En dan nog een!

    Zo heb je twee dieren op een rij.
    Zet ze maar eens onder elkaar.

    Krokodil
    Pandabeer.

    Zet nu / streepjes tussen de lettergrepen. Kro - ko - dil. Pan - da - beer.
    Kijk eens of je een paar van die lettergrepen van het ene dier aan het andere kunt koppelen.
    Krokobeer.
    Pandil
    Krodabeer
    Pankodil.

    Oefening:

    Verzin nu hoe dit nieuwe dier eruitziet.
    Wat voor kleur heeft hij?
    Hoeveel ogen, poten of oren heeft hij?
    Hoe groot is hij?
    Waar woont hij?
    Wat eet hij?

    Zet nu al je antwoorden achter elkaar neer.
    En maak daarmee een gedicht.

    Paars met groen
    Is de Pankodil
    Vier poten rechts, zes poten links
    Daarom loopt hij ook steeds rondjes
    In zijn grote ronde huis
    Gelukkig eet hij alleen maar pannenkoeken
    Die rollen met hem mee.
    In dat grote ronde huis.


    Heb je een tip voor een onderwerp van een schrijfoefening? Stuur dan een mailtje hier.