Start » Oefening » Klankherhaling in poëzie

Klankherhaling in poëzie

Poëzie is vorm – typografie, metrum, klank. Om dit laatste instrument te kunnen gebruiken is inventiviteit nodig, taalkennis en een goed gehoor nodig. Dicht mee in zes lessen.

Deel 1: Kleur en klank

Poëzie is de enige literaire vorm waarbij schrijvers de zetspiegel bepalen –en niet de zetter. Je moet de droog geformuleerde inzichten van Gerrit Krol tot je door laten dringen om het wezen van de moderne poëzie te doorgronden. Naast die zelfgekozen zetspiegel heeft de dichter natuurlijk meer instrumenten in huis: ritme bijvoorbeeld, de plaatsing van witregels, en niet te vergeten de klank. Door het juiste gebruik van klankovereenkosten maak je van een willekeurige tekst een hecht tekststelsel. ‘Het blijft en het blijft maar,’ dichtte Kopland ooit, in het gedicht ‘Baai’. Door de herhaling van dat ene woord blijft ‘blijft’ de dichtregel ook letterlijk – hij herhaalt zich, tot in het oneindige.

Oefening:

Neem een kleur, lila bijvoorbeeld, en verzin vervolgens vijf vergelijkingen met deze kleur (kijk uit: gebruik het woord ‘kleur’ zelf nergens). Voorbeeld: ‘Lila is een vooravond in september, gefilterd door de lamellen’. Of: ‘Lila als de kus van mijn dochter, vlak voor ze slapen gaat.’ Maak vervolgens een gedicht met dit rijtje.


Deel 2: Rijmende niet-rijmen

Poëzie is vorm. Sommige dichters zeggen: louter vorm. Waar proza, nonfictie en theater in hun diepste wezen gaan over onderwerpen, thema’s, standpunten, is de poëzie ongrijpbaar, glibberig, vooral op het gebied van betekenis. Niet voor niets dat Gerrit Komrij zich kwaad maakt over het literatuuronderwijs, waarin aan leerlingen wordt gevraagd wat de dichter precies bedoelde. “Dat is even stompzinnig als bij een gedicht afvragen ‘wat het voorstelt’. Als een gedicht iets anders zou voorstellen, dan was het een ander gedicht.’
Vorm dus. En dichtvorm wordt geschraagd door twee oeroude fundamenten: ritme en klank. Samen bepalen ze het gedicht.

Oefening:

Gebruik een woord met een mooie, liefst open klank: puur, gêne, bemoeial, eivol, gena. Schrijf vervolgens rijm woorden (vol- en deelrijmen): puur, verhuur, duurzaam, tureluur, uren. Kijk of je met deze rijmwoorden een niet-rijmend gedicht kan maken: een gedicht waarin de rijmklanken niet aan het eind van het vers (de dichtregel) staan, maar middenin.


Deel 3: Van flint tot vleugel

Om klank als instrument in gedichten te kunnen gebruiken, moet je een goed gehoor hebben én taalkennis. Klankherhalingen kunnen namelijk op allerlei manieren optreden: aan het begin van een woord (alliteratie), in het midden (halfrijm) of aan het eind (eindrijm). Pannenkoek rijmt op gradendriehoek, maar ook op mannenkont en papaverbol. Volrijm is het gemakkelijkst (Sinterklaasgedichten), maar alliteratie past veel meer bij onze Germaanse taal en wordt door dichters (snobisten als ze soms kunnen zijn) het hoogst aangeslagen. Dat heeft ook wel enige grond: flint, vloei, vleugel hebben allemaal eenzelfde oerovereenkomst: een dun voorwerp dat bij tijd en wijle kan zweven.

Oefening:

Neem een woord als uitgangspunt – het liefst een woord dat je al langer intrigeert, of een woord dat je mooi vindt klinken: flint, poespas, kralensnoer, melk. Maak vervolgens alliteraties bij je woord: flint, fleurig, vleugel, florijn, vlaai, vliegen. Zoek naar de overeenkomsten tussen de woorden en gebruik een aantal van deze allitererende woorden om allitererende dichtregels te maken. Zoek nu een tweede woord en doe hetzelfde. Gebruik de twee rijtjes om een gedicht te maken.


Deel 4: Schrijven is luisteren

Klanken herkennen begint bij goed luisteren. Lees daarom je gedichten altijd hardop – voor jezelf, maar ook in gezelschap. Leer van je eigen stem, of van de verklanking door een ander. Neem desnoods je gedicht een keer op en – o gruwel – luister de opname vervolgens af. Begrijp goed hoe klank werkt: dat het als stenen in de rivier een pad biedt door de tekst. Realiseer wat het verschil is tussen een korte en een lange klinker, tussen woorden die zich voor en achter in de mond vormen. ‘Oote oote boe’ van Jan Hanlo is bijvoorbeeld zo’n gedicht dat zich voor in de mond, vaak met open lippen voltrekt. De herkauwende koe is dan niet ver weg meer.

Oefening:

Proef de klanken in je keel, op je verhemelte of langs je tanden. Maak een gedicht waarvan de hoofdklanken zich in één deel van je mond afspelen. (‘De Blauwbilgorgel’ van C. Buddingh: helemaal achter in de keel). Zoek klanken die zich in hetzelfde gebied bevinden. Voel met je gehemelte, je tong , je huig hoe klanken bij elkaar horen. Maak een gedicht waarvan de klanken zich voornamelijk in een deel van de mond bevinden, of waarin ze zich afwisselend in verschillende delen bevinden.


Deel 5: Wees alert, altijd

De beste gedichten ontstaan niet omdat je ze wil schrijven, maar omdat ze er ineens zijn. Ze láten zich schrijven. Ineens hoor je dat merkwaardige woord ‘middenmoter’ ergens middenin iemands mond, en voor je het weet heb je de fundamenten van een gedicht over middenmoters, middenmotors en middenklanken. Wees altijd alert op dit soort klankpatronen en doe er je voordeel mee. Houd altijd een opschrijfboekje gereed en noteer zoveel mogelijk.

Oefening:

Neem een opschrijfboekje en noteer gedurende een week alles wat je te binnen schiet, wat je hoort, leest en blijft hangen (‘President wil geen politicus zijn’, ‘Geel is in’). Zie dit als een ruwe verzameling inspiratieblokken. Blader na deze week je boekje weer door en kijk wat je zou willen gebruiken om een gedicht te maken. Bekommer je vooral om vorm en klank, niet zozeer om inhoud. Kies de tekst waar je het meest zin in hebt, om die verder om te vormen tot een gedicht. Blijf variëren met klanken, verzen en regels tot je een goede basis hebt. Werk deze verder uit.


Deel 6: Klankliefde

The proof of the pudding is in the eating, zeggen onze westerburen, en daar kun je het nauwelijks mee oneens zijn. Om een gedicht te leren kenen – ook je eigen – zul je het moeten laten verklinken. Voorlezen is altijd goed, het liefst voor een kritisch publiek (en wie is er kritischer dan de auteur zelf).. Probeer je gedicht als geheel te zien, als geheel te presenteren en merk hoe de klanken je poëem richting geven: stuwing. Door voor te lezen leer je de werking van klanken, die veel verder gaat dan aangename klankpatronen. Leer ook van de lelijke klanken: de opvolging van i en u, de verwarring tussen e en i, de prachtige overgang tussen a en o. Maar bovenal: leer van klanken te houden en leer ze in te zetten in je eigen poëzie.

Oefening:

Neem een ruw gedicht uit een van de vorige oefeningen. Lees deze hardop en probeer erachter te komen welke delen van je gedicht wél werken en werlke niet. Merk hoe je naar adem hapt: is dat de bedoeling? Constateer dat je tekst vloeit als dunne stroop – wil je dat wel? Ga nu na welke klankeffecten wél en welke niet werken. Wees welbewust wat je wil bereiken. Als je een schrijfgroep om je heen hebt verzameld, lees hen dan voor met je meest magische stem. Luister goed hoe je gedicht verklinkt en hoe je gezelschap reageert.


Meer schrijfoefeningen...

Heb je een tip voor een onderwerp van een schrijfoefening? Stuur dan een mailtje hier.

Ook voor dichters: Schrijven Magazine

In ieder nummer van Schrijven Magazine interviewen we een dichter over het schrijfproces!

Word abonnee!
Storytelling in 12 stappen

Essentieel voor (tekst)schrijvers!

Meer over dit boek

Lees Tekstblad!

Neem een (proef)abonnement

Meld je aan voor de Schrijven Nieuwsbrief.

Het is gratis!