Jan Haasbroek

    Interview met Jan Haasbroek

    Auteur van Het geheim van de spreker

    Eind augustus 2008 verscheen het schrijfboek 'Het geheim van de spreker - over het schrijven en houden van toespraken' van de bekende spreker, schrijver en radioman Jan Haasbroek.

    Veel beginnende schrijvers huiveren bij het idee om te moeten optreden: een stuk voorlezen, vragen beantwoorden, een lezing geven. Hoe kunnen ze zich daar overheen zetten?
    “Je moet het in de eerste plaats echt willen. Als je jezelf als autoriteit ziet die niets met zijn lezers te maken heeft, moet je ze vooral niet gaan toespreken. Het begint ermee dat je het van belang vindt om je lezers een goede avond te bezorgen. Voorlezen, vragen beantwoorden en een lezing geven zijn drie verschillende dingen. Vragen beantwoorden is het makkelijkst, over een lezing moet je goed nadenken en voor het voorlezen helpt een prettige voorleessstem. Lang voorlezen in een zaal vol mensen werkt niet. In je eentje – thuis of in de auto – naar een gesproken boek luisteren, is veel aangenamer.”

    Kun je voorlezen en voordrachten houden oefenen, of moet je er talent voor hebben?
    “Ik zie drie posities. Ten eerste heb je de zeldzame oratorische talenten van het kaliber Martin Luther King, de beide Reves, Maarten van Rossem, Barack Obama, Jan Wolkers, Gerrit Komrij, Hans Teeuwen, Joseph Goebbels, Winston Churchill en Herman Pleij. Die hebben een soort van natuurlijk spreekgezag. Als laatste heb je een hele kleine categorie mensen die er ongeschikt voor zijn. Ze hebben een onoverkomelijk spraakgebrek, zijn te angstig of te bescheiden en moeten er echt niet aan denken. Waarom zou je die dwingen? Maar voor 95 procent van de mensen valt spreken in het openbaar goed te leren. En, inderdaad, naarmate je vaker oefent, gaat het steeds natuurlijk en gemakkelijker. Voor de rest zijn er talrijke handige foefjes.”

    Wat is beter: een paar steekwoorden en dan spontaan je zinnen formuleren of je voordracht helemaal uitschrijven van tevoren?
    “Dat hangt er vanaf. Als je je op vertrouwd terrein bevindt – je hebt het over je eigen vak, bent onder bekenden of spreekt in een informele omgeving – dan volstaan steekwoorden en heb je zelfs die misschien niet eens nodig. Maar als je wilt verbluffen of excelleren en je publiek versteld wilt doen staan – waar haalt hij het in godsnaam vandaan?, hoe verzint zij het? – dan moet je alles uitschrijven. Anders vergeet je dingen, word je te wijdlopig, bouw je niet mooi op en ga je de mist in, als je bijvoorbeeld plotseling korter moet spreken. Rudi Carrell zei ooit: ‘Grappen die je uit je mouw wilt schudden, moet je er wel eerst ingestopt hebben.’

    Bij een uitgeschreven tekst voel je je stukken zekerder, omdat je daarin intonatie-, pauze- en tempotekens kunt zetten en moeilijke woorden en namen fonetisch kunt uitschrijven. Nee, lessenaars staan er niet voor niks. Het uitschrijven van je tekst schept wel verplichtingen. Als hetgeen je op papier zet het niveau van een informeel babbeltje niet te boven komt, voelt je gehoor zich bekocht. Je moet, zo gauw je gaat schrijven, wel echt alle zeilen bijzetten.”

    Je geeft veel voordrachten, maar je ziet er ook veel. Wat zijn veel gemaakte fouten?
    “De meeste publieken zijn lankmoedig. Men accepteert heel wat: een rare stem, een wat te lang verhaal, enige saaiheid, stomme kleren; de meeste gehoren zijn geen scherpslijpers. Men gaat na afloop gezellig eten en drinken, dus zo’n spreker neemt men niet al te zeer de maat. Wat je sprekers kwalijk mag nemen, is dat ze voor zichzelf staan te spreken, geen contact met de zaal maken. Als je moet luisteren naar mensen die het niet uitmaakt hoe hun woorden vallen, kun je veel beter thuis een lekker moeilijk boek gaan zitten lezen.”

    Hoe kun je een rumoerige zaal toch aandachtig naar je laten luisteren?
    “Je moet eerst de rumoerigheid traceren. Gaat het om een grote groep, of is er een kleine kern? En waar komt de rumoerigheid vandaan? Ben jij zelf de aanstichter van het rumoer, of was je publiek al druk? Heeft men te veel gedronken, moet men tegen zijn wil naar je luisteren, is men al suf geluld? Er kunnen allerlei oorzaken zijn en die vereisen een verschillende aanpak.

    Als het goed is, word je niet overvallen door een rumoerige zaal, maar heb je je van tevoren goed op de hoogte gesteld van de zaal, het programma en je toehoorders. Want tegen pubers praat je anders dan tegen bejaarden en ’s morgens vroeg is men meegaander dan aan het eind van de middag. Je mag van een gehoor verwachten dat het een spreker, die het niet te bont maakt, hoffelijk tegemoet treedt. Wie dat niet op wil brengen, moet vooral niet blijven luisteren. Beter een kleinere groep geïnteresseerden dan een volle bak zonder aandacht.

    Verder kun je van alles bedenken. Je kunt je toespraak korter houden dan je van plan was. Je kunt met je publiek overleggen hoe lang je gaat spreken. Je kunt beloningen in het vooruitzicht stellen. Humor werkt ook altijd. En je kunt je verhaal opknippen en onderbreken met quizvragen, interviews, muzikale intermezzi. Betrek je publiek in je verhaal. Laat ze reageren met petjes, fluitjes en knip voor straf de stropdas doormidden van een te luidruchtige toehoorder (met wie je dat van tevoren afgesproken hebt).”

    Wat bracht je er toe om dit boek te schrijven?
    “Ik ontdekte dat er een Schrijfbibliotheek bestaat en dacht toen: als je kan schrijven voor kinderen, over reizen, over interviewen, over ritme of dramatische situaties, dan kun je ook een boek schrijven over toespraken. Ik ben zelf lekker spreekverslaafd en trek maar wat graag mensen mee in mijn roes.”

    Wat is het geheim van een goede voordracht? Of is er geen geheim?
    “Waar het om gaat, is dat het je lukt om een pact te sluiten met je gehoor. Je moet je publiek medeplichtig maken, mee laten werken aan jouw succes. Als ze ervan overtuigd zijn dat het je heel wat waard is om ze voor je verhaal te winnen, heb je geen kind meer aan ze. Je moet ze versteld doen staan, van hun stuk brengen en laten lachen. De lach was er eerder dan de taal.

    Twee voorbeeldjes uit het onderwijs. De afgelopen maanden gaf ik les aan onmogelijke pubers. Op een gegeven moment waren de jongens stevig aan het vechten in de klas. Dus vroeg ik: ‘Gaan jullie elkaar doden, of alleen maar zwaar verwonden?’ ‘We gaan doden’, riepen ze enthousiast. ‘Oké’, zei ik, ‘dan is het goed, ga dan maar door.’ Lachend hielden zij er mee op.

    Een andere keer vroeg een meisje mij: ‘Hoe oud was u, toen u het voor het eerst deed?’ Ik antwoordde naar waarheid: ’Vijfentwintig.’ De hele klas lachte. Ik vroeg: ‘Waarom lachen jullie nou?’ Ik dacht dat ze dat idioot oud zouden vinden. Maar ze bleken te lachen omdat ik de eerste leraar was die überhaupt op die vraag antwoord gaf. Dus vroeg ik daarna of ze niet wilden weten waarom ik zo laat was met vrijen? Dat wilden ze. Ik vertelde ze dat ik zo verlegen was en meisjes doodeng vond. Toen was het goed.
    Het geheim van succesvol spreken is ontspannende verbindingen met je publiek weten te maken.”

    Terug naar Het geheim van de spreker