Chrétien Breukers

    Interview met Chrétien Breukers

    Auteur van Gedichten schrijven - de regels van het vrije vers

    In 'Gedichten schrijven, de regels van het vrije vers' beschrijft Chrétien Breukers de verschillende stadia die het schrijven van het vrije vers kent. Een interview met de dichter, bloemlezer voorman van De Contrabas.

    Vanwaar dit boek? Er is toch al een hele serie boeken over gedichten schrijven?
    “Volgens mij is het goed om een verhaal steeds opnieuw, en steeds opnieuw vanuit een verschillende invalshoek te vertellen. Boeken als die van Van der Pluijm, Drs. P. en Wilmink zijn prachtig – en ik ben blij als ik met mijn boek enigszins in hun schaduw mag staan. Maar er is nog een andere reden waarom mijn boek naast die van deze auteurs bestaansrecht heeft: Van der Pluijm, Drs. P en, in mindere mate, Wilmink hebben het vooral over vaste dichtvormen. Wilmink richt zich ook op het lied, dat ik buiten beschouwing laat.”

    Waarom leg je de nadruk in dit boek op het vrije vers?
    “Omdat er voor het ‘gebonden vers’ heel veel goede boeken zijn, maar het ‘vrije vers’, nu toch de dominante vorm, er een beetje bekaaid afkwam. Veel dichters denken dat de vrije vorm meteen ook een soort regelloosheid met zich meebrengt, maar dat is zeker niet het geval: het ‘vrije vers’ is een vers dat zich niet houdt aan de klassieke vormen, maar verder is het onderhevig aan allerlei regels en wetmatigheden – deels opgelegd door de poëticale traditie, deels door de dichter aan zichzelf opgelegd.”

    Hoe ben je zelf ooit gaan dichten?
    “Er zijn twee momenten waarop ik me tot de poëzie heb ‘bekeerd’. In 1978 mocht ik naar de dramaserie I, Claudius kijken. Mijn ouders dachten dat dit goed zou zijn voor mijn algemene ontwikkeling, en dat het kijken naar de serie mij zou verzoenen met de gymnasiumopleiding die zij voor mij hadden uitgestippeld. Helaas is dat laatste niet gelukt. Maar mijn algemene ontwikkeling is er wel enorm van opgeknapt. Op een bepaald moment in de serie zag ik Claudius, zo mooi gespeeld door Derek Jacobi, gedichten schrijven op boekrollen. Dat maakte een heel diepe indruk op mij. Dat wilde ik ook: gedichten schrijven. Op boekrollen. Dus maakte ik van grote witte vellen papier boekrollen, waarop ik gedichten ging schrijven.
    Later, in 1980, leende ik van de schoolbibliotheek de bundel Voorbij de wegen van A. Roland Holst. In de bus van Weert naar Leveroy begon ik te lezen en ineens stuitte ik op het gedicht ‘Zwerversliefde’, dat begint met de roesverwekkende regels:

    Laten wij zacht zijn voor elkander, kind
    want o, de maatloze verlatenheden,
    die over onze moegezworven leden
    onder de sterren waaie‚ in de oude wind.

    Toen in die bus, en deze regels lezend, wist ik dat ‘de poëzie’ mijn domein was. Ik wist niet waarom, maar ik wist het wel. Ik werd bekeerd. En zo is het gekomen.”

    Had je op die leeftijd iets aan dit boek gehad?
    “Ja. Ik had geleerd dat ik veel aandacht moet besteden aan vakmanschap, dat ik veel had moeten lezen en dat ik me niet moest laten afleiden door valse beeldvorming; ik had van mijn eigen boek geleerd dat de ‘godgelijke dichter’ een fictie is; te lang heb ik gedacht dat dichters een hogere rang innamen dan andere schrijvers. Misschien deed ik dat wel onder invloed van Roland Holst.”

    Voor wie is dit boek bedoeld?
    “Voor dichters en dichters in spe. Voor mensen die meer dan gemiddeld serieus met hun vak, dichten, bezig zijn. En voor de geïnteresseerde leek – volgens mij is die onderdeel van een vrij grote groep. Ik zou het wel leuk vinden als al die mensen die altijd naar poëzieavonden gaan, zich ook eens thuis in het métier gaan verdiepen. Mijn boek biedt hier misschien wel een goede opstap toe.”

    Wat is het lastige aan vrije verzen maken?
    “Dat je letterlijk ‘vrij’ bent om te doen wat je goeddunkt. Veel amateurs gebruiken de ‘vrije vorm’ ook om allerlei knollen voor citroenen te verkopen; ik toon aan dat het schrijven van een gedicht een serieuze, vakmatige kant heeft. Dat het begrip ‘vrij’ alleen duidt op de manier waarop je de vorm gebruikt, maar dat dit niet meteen leidt tot een anything goes. C.O. Jellema schrijft in een van zijn gedichten (over een tuin) ‘dit evenwicht tussen wildgroei en beteugeling’. Dat evenwicht zul je in het ‘vrije vers’ moeten zien te bereiken.”

    Je besteedt in je boek veel aandacht aan iets wat je ‘poëtische bagage’ noemt. Waarom moet een dichter daarover beschikken?
    “Een dichter moet zijn stiel kennen, net zoals een loodgieter of een bakker. Hij heeft er alleen maar voordeel van als hij de techniek beheerst, lijkt mij. Daarnaast is belezenheid in de (wereld)poëzie een pre. Ik vind dat veel dichters die belezenheid niet hebben, en dat betreur ik.”

    Het laatste hoofdstuk heet ‘lezen van eigen werk en ordenen’. Waarom is dat belangrijk?
    “Het is belangrijk om voortdurend afstand te nemen van je werk, het te lezen alsof het ‘nieuw’ is, of door iemand anders geschreven. Dat stelt je, vermoed ik, in staat om wijzigingen aan te brengen die het gedicht vooruit helpen. Als je te dicht op je eigen werk zit, ontbreekt de kritische distantie nogal eens. Het heeft ook weer te maken met vakmanschap: als je genoeg afstand van je werk kunt nemen, ben je beter in staat om er de goede én de slechte kanten van te zien."

    Terug naar Gedichten schrijven - de regels van het vrije vers