Heidi Aalbrecht en Pyter Wagenaar
Interview met Heidi Aalbrecht en Pyter Wagenaar
Auteur van 'Voor de vorm' en 'Schrijfstijl'
De taal is het eigenlijke instrument van de literair schrijver. Hoe goed moet je kunnen spellen, vervoegen en verbuigen? Hoe kun je creatief met taal omgaan zonder in de fout te gaan? Heidi Aalbrecht en Pyter Wagenaar van Tekst- en redactiebureau de Taalwerkplaats schreven er maar liefst twee boeken over: Voor de vorm en Schrijfstijl – twee taalboeken voor literair schrijvers.

Vanwaar deze twee boeken over taalgebruik en schrijfstijl? Hebben literair schrijvers niet genoeg aan de 'Schrijfwijzer' van Jan Renkema of Trouws 'Schrijfboek'?
“De Schrijfwijzer richt zich op schrijvers van zakelijke teksten en niet, zoals onze boeken, op schrijvers van fictie en literaire non-fictie. Als je een antwoord op een taalkwestie zoekt, bijvoorbeeld: wanneer schrijf je alle of allen, dan kun je dat natuurlijk ook in de Schrijfwijzer vinden. Maar een minpunt is het normatieve karakter ervan: het boek schrijft voor wat je wel en niet ‘mag’. Daar houden schrijvers niet van. Ze willen natuurlijk wel de regels volgen, maar ze willen daar ook van kunnen afwijken. Voor de vorm en Schrijfstijl zijn daarom descriptief van aard: er wordt in beschreven wat de regels zijn, maar zonder opgeheven vingertje; de gedachte erachter is: als je afwijkt, doe dat dan bewust en niet per ongeluk. Een stijlboek zoals dat van Trouw of de Volkskrant is overigens niet zo betrouwbaar. Want daarin wordt feitelijk alleen voorgeschreven wat de redacties van die kranten moeten doen, en dat is niet per se wat de taalregels voorhouden.”
Hoe moet ik deze boeken lezen?
“Onze boeken zijn geschreven vanuit de schrijver: wat gebeurt er als je schrijft? Op welke problemen stuit je en hoe vind je daar zo snel mogelijk een oplossing voor? En dat is tegelijk nóg een onderscheidend punt: in onze boeken worden alleen kwesties behandeld die we zelf in de schrijfpraktijk hebben verzameld.
Wat Voor de vorm uniek maakt als taalvraagbaak, is dat er met stappenplannen wordt gewerkt. Wil je weten of je hen of hun moet schrijven? Volg het stappenplan en je krijgt op een presenteerblaadje het antwoord aangeboden. Hetzelfde geldt voor dt-kwesties, de tussen-n en -s, dat of wat en nog veel meer onderwerpen.”
Gaat het alleen om correct schrijven?
“Hier raak je het verschil tussen Voor de vorm en Schrijfstijl. Het eerste boek is een praktische taalgids speciaal voor schrijvers van fictie en literaire non-fictie, terwijl Schrijfstijl schrijvers helpt om een eigen stijl te ontwikkelen. Dit boek besteedt niet alleen aandacht aan ‘hoe het hoort’, maar ook aan hoe je aantrekkelijk kunt schrijven. Je vindt er bijvoorbeeld adviezen over zinslengte, variatie in de opbouw van zinnen en constructies die je beter kunt vermijden.
Ook is er veel aandacht voor beeldspraak en stijlfiguren. Hoe kun je treffende beeldspraak verzinnen? Welke beelden werken goed en welke kunnen de lezer op het verkeerde been zetten? Voor de vorm sluit daarbij aan met een uitgebreid overzicht van beeldspraak en stijlfiguren. En dat maakt het natuurlijk ook heel geschikt voor creatieve schrijvers. Maar de kracht ligt in de combinatie van beide boeken: Schrijfstijl brengt je op ideeën die je met Voor de vorm kunt polijsten.”
Waarom is dit allemaal nodig? Redacteuren halen bij de uitgeverij je taalfouten er toch uit...
“Een enkel taalfoutje is geen probleem, maar als het er meer zijn of als het bijvoorbeeld om ongelukkige beeldspraak gaat, wordt het toch lastig. Zulke fouten kunnen een beoordeling van de inhoud in de weg staan; een taalfout kan er voor zorgen dat een zin iets anders betekent dan je bedoelt.
Bovendien moet een schrijver zich realiseren dat zijn manuscript bepaald niet het enige is dat een redacteur of uitgever moet beoordelen. Als de tekst wemelt van de fouten, geeft hij er misschien wel de brui aan en begint hij aan het volgende manuscript op de stapel.
En ook als je boek wordt uitgegeven, kun je er maar beter zelf voor zorgen dat de tekst goed is. Correctoren die voor literaire uitgeverijen werken, worden doorgaans namelijk afgescheept met een paar euro per pagina, dus die besteden er maar weinig tijd aan om toch een enigszins normaal inkomen te kunnen verdienen. Literaire uitgeverijen klagen wel over het gebrek aan correctoren, maar dat zou eenvoudig opgelost worden als ze een fatsoenlijk uurtarief zouden bieden. Dat er veel fouten in boeken blijven staan, zie je ook aan de citaten uit andere boeken die we aanhalen.”
Waar komt jullie materiaal vandaan?
“Alle voorbeelden – dus zowel de goede als de foute – komen uit de praktijk. We hebben ze gevonden in romans, novelles, verhalenbundels, dichtbundels en op verhalenwebsites. Ook kunnen het fouten zijn die we in manuscripten hebben gevonden, dus die zijn verbeterd voordat het leed was geschied. En met leed bedoelen we dan: een smet op het blazoen van de schrijver, want sommige fouten ...
Overigens zijn illustraties van missers niet opgenomen om een schrijver aan de schandpaal te nagelen, maar om auteurs te behoeden voor dergelijke vergissingen, en ook om ze een hart onder de riem te steken: niemand is onfeilbaar.”
Geven jullie zelf ook schrijfcursussen?
“Nee, onze relatie met schrijvers is anders: wij begeleiden auteurs bij het schrijven van teksten. Dat houdt in dat we schrijvers die wel een goed idee hebben, maar die het moeilijk vinden om te schrijven, helpen hun gedachten op papier te krijgen. Samen met de auteur maken we dan een inhoudelijk en talig goed boek. Schrijfcoach wordt dat wel genoemd. Daarnaast redigeren en herschrijven we teksten vanuit ons eigen tekstbureau, de Taalwerkplaats, bijvoorbeeld voor de overheid of het bedrijfsleven, en schrijven we zelf, ook als ghostwriter. Maar we zeggen natuurlijk niet voor wie.”
Gaan literair schrijvers anders om met taal dan gewone stervelingen of zakelijke schrijvers?
“Er is natuurlijk een belangrijk verschil: in een zakelijke tekst leg je verslag en probeer je een standpunt te verwoorden, terwijl je in een literaire tekst een gevoel probeert over te brengen – hoewel je fictie natuurlijk ook retorisch kunt benaderen, zoals William Booth bijvoorbeeld heeft gedaan. Voor non-fictie moet je de taal daarom in zoverre machtig zijn dat je je gedachten efficiënt kunt verwoorden en een lijn in je betoog weet vast te houden.
Voor fictie moet je dat ook kunnen, maar komt er wel meer bij kijken: je moet kunnen spelen met taal en de taal tot in de finesses beheersen, omdat het niet alleen om de woorden gaat die je typt, maar ook, of zelfs vooral, om datgene wat je ermee oproept. Kun je dat niet, dan blijf je ‘een gewone sterveling’.”
Zijn literair schrijvers net zo slordig met hun taal als gewone burgers?
“Een schrijver die slordig omgaat met taal, ontneemt zijn boeken hun bestaansrecht, want in fictie en literaire non-fictie moet de taal op zijn minst de inhoud ondersteunen, en liefst ook de lezer betoveren. Dat is toch waarom je een boek leest: om je weg te laten voeren en je te laten verrassen. Taal is het instrument dat de schrijver daarvoor kan gebruiken. Hij is het daarom aan zichzelf, maar al helemaal aan ons, de lezers, verplicht om goed met taal om te gaan. En dat is nu precies waarbij Voor de vorm en Schrijfstijl kunnen helpen.”

