Pim Wiersinga
Interview met Pim Wiersinga
Auteur van Schrijven: het begin
'Schrijven: het begin' van auteur en schrijfdocent Pim Wiersinga gaat over het begin van het schrijfproces. Wanneer weet je dat je op de goede weg bent, bij het schrijven van verhalen en romans? Wat heb je allemaal nodig om te kunnen beginnen?

Waarom ben je dit boek gaan schrijven?
"Hoe die brei in je kop een wereld wordt: het blijft een wonder, vind ik. In Het prozaboek – dat ik kort voor zijn dood met Bert Jansen schreef – had ik er ook al passages aan gewijd. Dus die verwondering, die verrukking erover, zit diep. Geen gulden snedes, geen verteltrucs en geen enkele slimme voorbereiding doet iets af aan dit wonder. Al zou je iedere scène van tevoren tot in detail uitdenken, toch komt ooit het moment dat de chaos aan de deur klopt. Van iedere schrijver die met een synopsis vooraf werkt, hoor ik dat het verhaal uiteindelijk een andere kant opgaat. Zo hoort het ook. En nee, dit is géén reden om de synopsis-methode af te zweren."
Van chaos naar orde: dat is toch niet zo’n groot wonder?
"Al schrijvend doen zich onophoudelijk keuzemomenten, obstakels en zijsporen voor: lokkende perspectieven die de dag erna fata morgana’s blijken te zijn. Maar ook veelbelovende personages die je toch weer in de vergetelheid moet laten verdwijnen. Kortom, het voltooide verhaal is slechts één variant op de duizend mogelijke verhalen die je had kunnen schrijven. Maar het gekke – het wonderbaarlijke zo je wilt – is dat je het zo helemaal niet ervaart. Achteraf gezien waren al die verworpen mogelijkheden stoorzenders, ze stonden het echte verhaal in de weg. Dus wat er vooraf als chaos uitziet, blijkt achteraf een blauwdruk die al die tijd lag te wachten op bevrijding."
Wat is er zo moeilijk aan een verhaal of roman beginnen?
"Je hebt ideeën nodig. Om met die ideeën verder te kunnen, wil een mens weten of ze goed zijn. Maar waar meet je dat aan af? Nergens aan. Dat is het huiveringwekkende, het onmenselijke van oorspronkelijke kunst. Er zijn wat vage leidraden – mantra’s – die op schrijfscholen rondzoemen: let op het zinsritme, laat het personage handelen en tóón hem in plaats van over hem te vertellen. Akkoord, maar wát toon je en wat vertél je? En nu we toch bezig zijn: wat suggereer je, wat hou je achter de hand, en wat laat je helemaal weg? Het antwoord haal je uit geen enkel handboek. Elke tekst is anders. Het antwoord sluimert in de composthoop waarin de ideeën liggen te broeien, en die composthoop bevindt zich in je verbeelding. Die ís je verbeelding."
Kun je gewoon met een zin beginnen, zoals Grunberg schijnt te doen, en zoals Nirav Christophe in 'Het naakte schrijven' aanraadt?
"Gewoon met een zin beginnen levert doorgaans zooi op, en ook al zou het waar zijn dat Grunberg op die manier werkt, dan is hij er later toch ettelijke keren ‘overheen geweest’. En slecht proza kan waarde hebben; ineens tover je opwindende beelden te voorschijn, meeslepende gevoelens. Die tegenstelling tussen zomaar met een zin beginnen of laten rijpen, zie ik niet. Tenzij je blind voorwaarts vlucht met het idee dat lef beloond hoort te worden. Rotzooi maken lijkt me een onderdeel van het rijpen, het op gang laten komen van de stroom."
Waar gaat het ’t vaakste mis?
"Goed beginnen is greep krijgen op de vorm, stel ik in 'Schrijven: het begin'. Alles wat daarheen leidt, is bruikbaar. Natuurlijk gaan er dingen mis. Het schort onervaren schrijvers nogal eens aan sensitiviteit. Dan zetten ze iets op papier, en dan staat het er. Door ernaar te kijken, blijft het daar verpletterend staan; het verandert niet, het verdwijnt niet, het wordt niet beter, alleen maar beschamender: de stroom stokt. Hoe komt dat? Omdat beginnende auteurs niet lezen wat ze schrijven; ze voelen niet aan wat het effect – of het gemiste effect – is van het geschrevene. Daardoor blijven ze emotioneel gesproken buiten hun verhaal staan. En als je erbuiten staat, sterft het onder je handen. Of je krijgt maakwerk…
Voor mij zijn ‘vorm’ en ‘vent’ – zoals ze het voor de Tweede Wereldoorlog uitdrukten – een en hetzelfde. Het gaat mis als de schrijver zodanig vervuld is van wat hij zelf wil zeggen dat je steeds de sturende hand in het verhaal herkent; of er zo ver vanaf staat dat het verhaal braaf, vals of steriel wordt. De personages zijn niet doorleefd, zetten niet echt iets op het spel in het conflict waarin zij verzeild raken. Of je hebt een conflict waarin personages als pionnen over het bord worden geschoven, of praten als buikspreekpoppen. Mijn stelling is dat je dit soort dingen al in de beginfase moet zien te verijdelen, niet pas bij het herschrijven."
Wanneer biedt een conflict genoeg stof om het verhaal tot het einde te dragen?
"Een conflict kan klein zijn, een verhaal kort. Een klein conflict kan de kiem zijn van een enorme roman, en in een kort verhaal – in Kafka’s twee alinea’s die ik in mijn boek als voorbeeld opvoer – kan een peilloos conflict schuilgaan. Het is geen kwestie van hoeveelheid stof, geloof ik, maar van een evenwicht dat overtuigend verstoord raakt, dat hersteld moet worden en nooit in de oude vorm hersteld wordt. En toch moet het hersteld worden, omdat die verstoring de personages ontwricht – of die verstoring nu een moordaanslag is of een verkeerd woord. Het conflict hoeft niet groot of dramatisch te zijn, in de zin van sensationeel; zolang het maar voortvloeit uit het personage. En het personage moet precies die eigenschappen – die passie – hebben die nodig is om het conflict tot een einde te brengen."
In je ‘veel te weinig gestelde’ vragen ga je ook in op de vraag wie de hoofdpersoon moet zijn van een verhaal of een roman. Dat is voor de meeste schrijvers toch volstrekt duidelijk?
"Helaas wel ja. Nog betreurenswaardiger is het dat zij koppig bij die hoofdpersoon zweren, terwijl het verhaal dat ze onder handen hebben in uitroeptekens aangeeft dat het om de tegenspeler gaat: die maakt het echte drama door.
Wat ook kan, is dat de rollen goed gekozen zijn, maar dat de auteur het gezichtspunt of de ervaring van de tegenpartij te vlak verbeeldt; het is ook moeilijk om tegenspelers diepte te geven, als het perspectief niet bij hen ligt. Enfin, misschien heb je wel gelijk dat het voor schrijvers geen probleem is; misschien verzin ik een probleem om mijn lezer tot overpeinzen te bewegen, tot wat ik ‘denken in proza’ noem."
Je geeft al jaren les en begeleidt beginnende auteurs. Is dit boek gestoeld op de ervaringen die je daarbij opdeed?
"Jazeker. Het is altijd zoeken naar manieren of formuleringen om helder te krijgen waarom een tekst vastloopt of aan elan inboet, naar de keuzes die onder een tekst schuilgaan. Of kwesties als: waarom deugt dezelfde schrijftrant in het ene geval wel en in het andere geval niet. De een moet bondiger schrijven, de ander juist uitdijen. Ik raak steeds meer doordrongen van de beperktheid van technieken of geformuleerde regels, al zijn er wel ongeformuleerde of ‘onformuleerbare’ regels – ondoorgrondelijke wetten – en kun je niet maar wat doen. Maar evenmin kun je die wetten blindelings toepassen; het komt op originaliteit aan: hoe je die wetten op fantasierijke, individuele, nooit eerder vertoonde wijze naar je hand zet, zelfs tart! Daarom wilde ik van mijn boek geen verzameling instructies maken; ik wilde een poging doen om de lezer te laten reflecteren op zijn of haar schrijverschap. Leren schrijven in proza is ‘denken in proza’. Niet denken over: denken in.
Het dragende idee waarop het hele boek rust, is dat je vele manieren hebt om ‘in proza te denken’, zoals je ook verschillende stijlen van schrijverschap hebt. ‘Ontdek welke stijl bij je past’, fluister ik de lezer in het oor, ‘ken jezelf – als schrijver.’ Aanwijzingen als ‘Schrijf altijd eerst een synopsis!’ vind ik achterhaald, tenminste, wanneer ze als zaligmakend worden opgedist. Al vrees ik nu dat schrijfpupillen met mijn boek gaan schermen om iedere docent te kapittelen die de synopsis aanbiedt als mogelijk bruikbare techniek. Hopelijk zien die studenten, door mij zorgvuldiger te lezen, tijdig in dat je als beginner voor veel hindernissen komt te staan die niet ‘bij je passen’. De muze is genadeloos!"
Amos Oz publiceerde een decennium geleden het schrijfboek Zo beginnen verhalen. Waarin verschilt zijn aanpak van de jouwe?
"Amos Oz gaat, als ik het zo mag zeggen, wetenschappelijker te werk dan ik. Hij bestudeert klassieke romans; analyseert hoe ze beginnen en welke effecten hun openingszinnen sorteren. Ik heb me een enkele keer verstout hetzelfde te doen bij romans om een bepaald punt te verhelderen, ik sla er zelfs even Homerus op na; maar ik ga lang niet zo grondig te werk als hij. Het zou van hovaardij getuigen om wat losse citaten uit Zo beginnen verhalen te plukken, wat ik zonder gewetenswroeging doe uit Aan een jonge romanschrijver van Mario Vargas Llosa. Oz schreef een kolossaal boek, dat je beter in zijn geheel kunt lezen."
Wordt je volgende boek weer een schrijfboek?
"De opdracht voor dit schrijfboek bood mij gelegenheid om eigen ideeën op te schudden en helemaal opnieuw te beginnen – met fictie natuurlijk, wat denk jij!"

