Start » Oefening » Waar eindigt de dichtregel?

Waar eindigt de dichtregel?

Deze workshop van Yke Schotanus gaat over regelafbrekingen in gedichten. Hoe, wanneer en waarom zet je een return aan het eind van een vers? Schotanus geeft ook de online cursus Gedichten en liederen schrijven waarbij je ruimschoots feedback en aanwijzingen krijgt op je dichtwerk.
(Zie ook www.schrijvenonline.org/academie/gedichtenenliederen).

Deel 1: Ontroering en afbreking

Als dichter moet je steeds antwoord zien te vinden op de vraag waar je je versregels afbreekt en waarom. Een dichtregel eindigt nu eenmaal niet automatisch met een punt en alleen in prozagedichten bepaalt de kantlijn waar hij dan wel ophoudt. Dat ook ervaren dichters als Rutger Kopland met deze vraag worstelen, blijkt wel uit de ontstaansgeschiedenis van het gedicht ‘Stilleven met goudplevier’ in zijn literair essay en schrijversdagboek Het mechaniek van de ontroering (Van Oorschot, 1995).

Hierin stelt Kopland zich voor dat de vogel, de ui en de appels op een schilderij van Wim Schuhmacher zich in Koplands eigen schuurtje bevinden. Dit zijn de laatste drie versies van de slotstrofe:

1. Ik ben vergeten wat ik zie, ik moet
het in gedachten hebben neergelegd
en niets hebben gezegd tegen mijzelf

2. Ik ben vergeten wat ik zie, ik moet het
in gedachten hebben neergelegd, en niets
hebben gezegd tegen mijzelf.

3. Ik ben vergeten wat ik zie, ik moet het
in gedachten hebben neergelegd, en niet
zijn teruggekeerd, het zo hebben gelaten.

Twee dingen vallen op: ten eerste verandert Kopland de regelafbreking en ten tweede maakt hij enjambementen. Dat wil zeggen dat hij soms regels afbreekt op plaatsen die grammaticaal gezien onlogisch zijn. Waarom Kopland dit doet, staat er in zijn dagboek niet precies bij, maar ik vermoed dat hij zowel rekening heeft gehouden met betekenisaccenten (op ‘moet’ of juist op: ‘in gedachten’) als met ritme en regellengte. Het zou me zelfs niet verbazen als de verregaande verandering van de inhoud van de laatste regel in eerste instantie is ingegeven door onvrede over die korte slotregel in de tweede versie.

Hoewel ik de laatste versie mooier vind dan de eerste, kun je niet zeggen dat in de eerste versie ‘fouten’ zitten. Of dat het ‘fout’ zou zijn om na elke komma een nieuwe regel te beginnen, of de eerste regel al af te breken na ‘vergeten’en vervolgens een totaal nieuwe regelindeling te maken. Het heeft natuurlijk wel vergaande consequenties voor de klank en de betekenis van het geheel.

Oefening:

Neem de laatste versie van de strofe van Kopland. Experimenteer met een alternatieve regelverdeling. Kijk bijvoorbeeld wat je met de overige regels zou doen als je de eerste inderdaad afbreekt na ‘vergeten’, en wat dat voor gevolgen heeft voor de betekenis.


Deel 2: Viaducten

Al is de regelafbreking dus niet aan vaste regels gebonden, het is wel degelijk een onderwerp dat er werkelijk toe doet. Lezers baseren hun interpretatie erop en vallen over afbrekingen die ze niet begrijpen. De criticus Piet Gerbrandy, bijvoorbeeld, schrijft in zijn essaybundel Een steeneik op de rotsen dat H. H. ter Balkt veel van zijn gedichten laat ogen als klassieke verzen, met een vaste regellengte, maar dat zijn zinnen zich daar niets van aantrekken. Ter Balkt lijkt de regels soms uitsluitend af te breken om het geheel er regelmatig uit te laten zien. Dat kan niet, vindt Gerbrandy, en dus zoekt hij een oplossing. Volgens hem ‘ontregelt’ Ter Balkt de lezer bewust om te laten zien dat de wereld veel chaotischer is dan de structuren die wij erop leggen suggereren. Gerbrandy citeert:

Het bonte gezelschap ontregelaars op de Wagen
van Jan van Goyen ratelt onder de viaducten
door en over de bruggen, (...)

Hoe lastig het is om iets algemeens over de regelafbreking te zeggen, blijkt al uit het feit dat de regelafbreking zelfs als hulp bij het (voor)lezen niet eenduidig is. Gorter baarde indertijd opzien door zijn ‘Mei’ voor te lezen alsof het proza was, en veel moderne acteurs proberen dat ook te doen met Shakespeare en Vondel. Terecht. Als ik Dick Bruna voorlees aan mijn kinderen gaan rijm en metrum beter klinken naarmate ik er minder nadruk op leg.

Tegelijkertijd verwacht ik van de lezers van mijn eigen, vrije verzen wel dat ze een regelafbreking honoreren met een vertraging, een pauzetje, of een ietwat benadrukt eerste of laatste woord van de regel. Zelf doe ik dat ook als ik Kopland voorlees, met als effect dat de bovengeciteerde strofe er dan ook werkelijk een beetje mompelend en ‘in gedachten verzonken’ uitkomt.

Met Ter Balkt zou ik even niet weten hoe het moest. Maar een bruikbare vuistregel is toch dat het regeleinde bij een rijmend, metrisch gedicht meestal zo duidelijk is dat het beter is het te verdoezelen, terwijl het regeleinde in alle andere gevallen doorgaans benadrukt moet worden. Het rare is dat punten en komma’s die midden in een dichtregel vallen gewoon punten en komma’s blijven. Ook in de voordracht. Dat betekent dat het regeleinde, zelfs wanneer je dat probeert te laten horen, toch overschaduwd kan worden door het zinseinde. De punt. Dat is even wennen. Het sluit niet aan bij de suggestie die van de presentatie van het gedicht uitgaat dat de dichtregel een (betekenis)eenheid is.

Nu hoeft een regel ook niet voor elke dichter altijd een eenheid te zijn, want er zijn zoveel redenen om een regel af te breken (zie hieronder). Maar het is toch niet uitgesloten dat een regel met een punt erin zo te lezen is. Het is zelfs mogelijk een strofegrens (ofwel een witregel) midden in een zin te verantwoorden als scheiding tussen twee grotere betekeniseenheden. Neem een (zelfverzonnen) zin als: ‘Zo ging het totdat // zij verscheen’. Ik kan mij heel goed voorstellen dat de twee helften van deze zin het slot en het begin vormen van twee lange strofen die uit meerdere zinnen bestaan en toch als eenheid te zien zijn. Kort te karakteriseren als: vóór en na.

Oefening:

Pluk eens een paar gedichten (rijmend en niet-rijmend) uit de kast en experimenteer met verschillende manieren van voorlezen.

1 Pauzes alleen bij leestekens laten klinken en de woorden die aan het eind van de regel staan zo weinig mogelijk benadrukken.

2 Nadrukkelijk het regeleinde laten horen.

3 Leestekens lezen en daarnaast door een vertraging, of het accentueren van het eerste of laatste woord het regeleinde accentueren.


Deel 3: Regelafbreekregels

Al is er dan geen algemeen geldende reden om een regel af te breken, er is wel een aantal gangbare overwegingen. Hieronder bespreek ik een flink aantal, maar niet uitputtend. Ik heb ze geformuleerd als (vuist)regel, maar laat je niet misleiden door hun dwingende vorm. Je kunt deze ‘regelafbreekregels’ lang niet allemaal naast elkaar gebruiken, vaak sluiten ze elkaar uit.

In de eerste plaats zijn er inhoudelijke overwegingen om een regel af te breken:

1. Breek af op een plaats waar net een zinsdeel of woordgroep is afgerond. Kopland doet dat in bovenstaande varianten alleen bij regel twee van de eerste versie (de slotregel buiten beschouwing gelaten), maar het is zeker niet zo dat alle grote dichters altijd voor het enjambement kiezen.

2. Breek af waar een enjambement een belangrijk woord meer nadruk geeft en de betekenis ervan onderstreept. In de tweede versie van de Koplandstrofe hierboven ligt er, zoals gezegd, niet alleen meer nadruk op ‘in gedachten’ maar klinkt het geheel ook ‘in gedachten verzonkener’. Een zeer opvallend voorbeeld zag ik op internet in de eerste regels van het gedicht ‘Het begon met een lach’ van Bart Meuleman:

het begon met een lach die onbekommerd van de springplank
duikelde, op het plat van het water

(bron: dbnl.org/gedichten/meul036bego01.htm)

Door het enjambement krijgen ‘springplank’ en ‘duikelen’ allebei extra nadruk, waardoor het contrast tussen springen (op eigen kracht omhoog) en duikelen (door de zwaartekracht omlaag) extra groot wordt. Bovendien is het natuurlijk heel toepasselijk dat ‘duikelen’ net van de eerste regel valt.

3. Breek je regels zo af dat elke regel iets nieuws toevoegt, en/of inhoudelijk evenveel gewicht in de schaal legt, dat elke regel dus, ongeacht de lengte, evenveel betekenis heeft.

4. Breek je regels zo af dat er een typografisch beeld ontstaat dat de betekenis van het gedicht illustreert. Neem het gedicht van Meuleman: die eerste regel (zie boven) is zo lang, dat hij er ook werkelijk uitziet als een duikplank. Andere voorbeelden vind je bijvoorbeeld bij dichters als Paul van Ostaijen en Richard Minne.

Oefening:

Schrijf een gedicht in de vorm van een geometrische figuur (bol, driehoek, vierkant, etc.) en zorg dat de inhoud iets met die vorm te maken heeft.


Deel 4: Spanning handhaven

5. Breek je regels zo af dat er niet meer dan twee, drie woorden per regel overblijven, er een vertraging optreedt bij het lezen, en de lezer elk woord tot zich door laat dringen. Het gaat dan niet meer om de afbrekingen op zich, maar om de concentratie. Die opgedeelde zin moet al die nadruk natuurlijk wel kunnen verdragen! Sommige mensen vinden dit een goedkope manier van dichten, maar Jan Arends bereikte er mooie resultaten mee. Neem bijvoorbeeld de eerste strofen van het gedicht ‘Ik’.

Ik
schrijf gedichten
als dunne bomen

wie
kan zo mager
praten
met de taal
als ik?

(uit: Lunchpauzegedichten, 1974)

6. Breek je regels zo af dat de witruimte achter de afbreking betekenis krijgt. Bijvoorbeeld zo:

Hij kijkt
en slaat toe.

In het wit achter ‘kijkt’, verstrijkt veel tijd en gebeurt van alles dat niet beschreven wordt. De hij-figuur kijkt lang en aandachtig en ziet uiteindelijk ook zijn kans.

7. Breek je regels zo af dat er meerduidigheid ontstaat. Dit kan op meerdere manieren. Gerrit Kouwenaar gebruikt er in dit fragment uit het gedicht ‘Ontmoeting’ twee:

men koopt nog een keer persoonlijk tabak, deelt
vergeefs mede wat men denkt
van het kabinet en de eeuwig dreigende oorlog, alleen

het gratis glas van het huis smaakt nog

(uit: Een eter in het najaar)

In de eerste plaats zorgen de enjambementen ervoor dat de woorden ‘deelt’ en ‘alleen’ zowel bij de regel horen waar ze op staan, als bij de volgende. ‘Men’ deelt mee wat hij denkt, maar men deelt ook de tabak. En men staat alleen met zijn mening, maar het is ook zo dat alleen dat gratis glas nog smaakt.

In de tweede regel zorgt het enjambement voor een ander effect – al speelt het ook mee bij het zware enjambement (een strofescheiding) na ‘alleen’. In eerste instantie beschouw je de regel als afgesloten. Pas later ontdek je dat hij doorloopt. Nu is het verschil tussen ‘wat men denkt’ en ‘wat men denkt van ...’ niet schokkend, maar ook zo’n kleine betekenisverschuiving kan een gedicht een fris accent geven. Zie bijvoorbeeld de eerste strofe van ‘Mama, waar heb je het geluk’ van Ted van Lieshout:

Mama, waar heb jij het geluk
gelaten? Ik had het hier
neergelegd en nou is het weg!

Je zult het wel ergens hebben laten
slingeren of het is gestolen of
misschien per ongeluk weggegooid.

Wie zou mijn geluk willen stelen?
Wie niet?

(bron: dbnl.org/gedichten.lieshout.htm)

Bezig zijn met regelafbreking is geen zuiver technische aangelegenheid. Het heeft ook een creatieve functie. Dat bleek maar weer eens toen ik, op zoek naar een duidelijker voorbeeld dan dat van Kouwenaar of Van Lieshout, zelf een regel bedacht die ogenschijnlijk afgerond is, maar op de volgende regel toch doorloopt en daardoor van betekenis verandert.

Eigen volk eerst
wassen

Toen ik deze regels had, was ik meteen gegrepen. Het is onmogelijk ze te lezen zonder er de nationalistische leus ‘Eigen volk eerst’ in te herkennen. Maar de inhoud en de grammatica van de hele zin staan daarmee op gespannen voet. Hoe moest dat verder? Ik dichtte:

Eigen volk eerst
wassen, voor je het,
laarzen uit, binnenlaat

De spanning blijft gehandhaafd. De laarzen en het binnenlaten passen goed bij de leus uit de eerste regel, maar tegelijkertijd ontstaat ook het beeld van een stel kinderen dat vuilgespeeld thuiskomt. Mij bevalt dat wel en ik ben ervan overtuigd dat ik ze op een gegeven moment op een betekenisvolle manier samen kan brengen.

Oefening:

Stap 1. Schrijf vijf korte maar afgeronde zinnen op, telkens met minimaal twee regels ruimte ertussen.

Stap 2. Probeer onder elke regel een of meer woorden te zetten die de regel een vervolg geven en daardoor in meer of mindere mate van betekenis doen veranderen.

Stap 3. Werk een van de vijf regelparen uit tot een gedicht.


Deel 5: Afbreken en regelmaat

Naast inhoudelijke zijn er ook ritmische en esthetische redenen om een regel af te breken. Oog en oor willen ook wat. Het gaat dan altijd om keuzes voor of tegen een bepaald soort regelmaat. Hieronder zes regelafbreekregels om regelmaat te bereiken, áls je dat zou willen. Een zeker keurslijf kan de spanning in het gedicht en de scherpte van de formulering ten goede komen, maar dat geldt op een andere manier net zo goed voor een vrijere vorm.

1. Gebruik per regel een vast aantal lettergrepen. Willem Hussem deed dat bijvoorbeeld in ‘Zet het blauw’:

Zet het blauw
van de zee
tegen het
blauw van de
hemel veeg
er het wit
van een zeil
in en de
wind steekt op

(uit: Warmte vergt jaren groei)

2. Gebruik een vast metrum. Eeuwenlang hadden vrijwel alle gedichten een vast metrum, dat wil zeggen: een vaste afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen. In een jambisch gedicht, bijvoorbeeld, begint elke regel met een onbeklemtoonde lettergreep, dan volgt een beklemtoonde, vervolgens een onbeklemtoonde, enzovoort.

Al is de leugen nog zo snel
de waarheid achterhaalt hem wel.

Meer over metrum lees je in mijn boek Song- en liedteksten schrijven (zie www.schrijfbibliotheek.nl), of in het Rijmhandboek van Jaap Bakker.

3. Maak regels die voor het oog min of meer even lang zijn. Voor je het weet ziet iemand een duikplank, een stormram of een fallus in een opvallend lange regel. Verder ziet een evenwichtig regelbeeld er mooi uit, en je creëer hiermee op een onnadrukkelijke wijze enige regelmaat in de leespauzes of vertragingen die het regeleinde vraagt.

4. Ga er vanuit dat elke regel bij voordracht ongeveer even lang moet duren. Dat kan onder andere door je ‘adem’ als maatstaf te nemen, en elke regel een eigen spanningsboog te geven die ongeacht de regellengte min of meer gelijkwaardig is. Niet dat ze bij het (voor)lezen echt allemaal evenveel tijd zullen vragen, maar een regel met veel woorden krijgt een hoog tempo en een regel met weinig een laag. Als voorbeeld het begin van het gregoriaans klinkende kerklied ‘Ik zal er zijn’ van Huub Oosterhuis:

Alle denkbare en ondenkbare zielen bevelen wij u aan
Gij hebt u toch beschikbaar gesteld?
Wij mochten u roepen, hebt gij gezegd.
Ik zal er zijn was uw naam.

(Uit: Liturgische gezangen (aangevulde editie), 1979, Gooi en Sticht)

5. Kies een vast aantal beklemtoonde lettergrepen per regel. Als je zo telt, is de regel ‘Summertime’ uit het gelijknamige lied even ‘lang’ als de regel ‘One of these mornings’. Ook de Oudgermaanse poëzie is gebouwd volgens dit principe.

6. Breek je regels zo af dat er orde is in de strofenbouw. Wellicht heeft Ted van Lieshout zich in ‘Mama, waar heb jij het geluk’ (zie hierboven) laten leiden door de wens om de tweede strofe net zo veel regels te laten tellen als de eerste. Want de regels zijn langer en de enjambementen minder sprekend. Het had wat mij betreft ook in vier regels gekund (met enjambementen na ‘ergens’, ‘of’ en ‘misschien’). Maar je hebt nu wel een mooie vraag-antwoordstructuur van 3 3 1 1 en in de derde strofe is de vraag weer langer.

Oefening:

Neem een aantal dichtregels al dan niet van jezelf en probeer die zo te bewerken dat ze een ander metrum krijgen, of (on)regelmatiger, langer, korter, strakker of losser worden.

Ik improviseer een voorbeeld:
’k Ben bang
Voor lang
(korte regels, jambes)

Wordt:

Plots stond hij voor me, recht en lang
Ik werd bang
(onregelmatige regellengte)

Of:

Hij was rijzig en lang
En dat maakte mij bang

(zes lettergrepen per regel, klemtoon op derde en zesde)


Deel 6: Combinaties

Zoals ik al aangaf, zijn de verschillende ‘regelafbreekregels’ goed in combinatie te gebruiken. Vaak moet dat ook. Wie, zoals Ter Balkt, een vaste regellengte aanhoudt zonder dat hij oog lijkt te hebben voor de betekenis van zijn enjambementen, roept vragen op. Ook is het mogelijk om verschillende ‘regelafbreekregels’ af te wisselen binnen een gedicht, al moet je daar wel voorzichtig mee omgaan. Er zijn dichters die zelfs brokken ‘prozagedicht’ in hun gewone verzen opnemen. Maar hoe chaotisch je het ook maakt: als de lezer er uiteindelijk geen betekenis aan kan geven, keurt hij je poëzie af.

Oefening:

Stap 1: zet onder elkaar tien paar tegengestelde begrippen. Bijvoorbeeld: wit – zwart, zomerzon – hagelwolk, kindsoldaat – man met blokkendoos.

Stap 2: kies een tegenstelling uit, maak nu rond elk deel van het gekozen woordpaar een strofe van een gedicht. Kies voor beide strofen bewust een verschillend afbreekprincipe, of een verschillend soort regelmaat.

Stap 3: verwerk beide strofen in één gedicht.

Wil je commentaar op je werk? Zin in een online gedichtencursus met ruime feedback? Ga naar www.schrijvenonline.org/academie/gedichtenenliederen.


Meer schrijfoefeningen...

Heb je een tip voor een onderwerp van een schrijfoefening? Stuur dan een mailtje hier.

Profiteer van heel veel extra's!

Vanaf € 12,50 per jaar
Moleskine cadeau? Neem nu een abonnement op Schrijven Magazine!

Gratis Moleskine opschrijfboekje bij een abonnement op Schrijven Magazine!

Bestel nu!
Verkoopt jouw boekhandel Schrijven Magazine?

Benieuwd of jouw boekhandel of kiosk Schrijven Magazine verkoopt? Zoek het op in de storelocator...

Zoek een verkooppunt
Jouw kidlit laten bespreken in Schrijven Magazine?

Stuur het in voor Tekstuur Kidlit! Meer informatie vind je in Schrijven Magazine.

Word nu abonnee!